vrijdag 8 februari 2013

Commissie Ordening Goudsector van regering Bouterse ziet 20 december 2012 levenslicht

President Bouterse hoopt goudsector binnenland te kunnen ordenen


Om een halt toe te roepen aan de anarchie, losbandigheid en illegaliteit in de Surinaamse kleinschalige goudvelden in het binnenland en enige regulering en controlesysteem aan te brengen, werd door de regering Bouterse-Ameerali op 20 december 2010 de presidentiële Commissie Ordening Goudsector (COG) geïnstalleerd.

Gerold Dompig
De commissie bestaant uit een Beleidsteam met als voorzitter Melvin Linscheer (vanaf 1986 was hij Bouterses voorman in de oorlog tegen het Junglecommando van Ronnie Brunswijk - op 26 maart 1990 betrokken bij de moord op twee lijfwachten van Brunswijk – hij had de bijnaam ‘beul van Suriname’ gekregen - veiligheidsadviseur van president Bouterse), een Raad van Advies en een Managementteam met Gerold Dompig (als politiecommissaris op Aruba enige tijd betrokken geweest bij het geruchtmakende onderzoek naar de sinds 30 mei 2005 vermiste Amerikaanse Natalee Holloway. Hij werd naar eigen zeggen op een zijspoor gezet. "Doe je eigen vuile werk", kreeg hij te horen van de FBI. Ook zou hij bedreigd zijn door de FBI en onder druk gezet zijn door de Amerikaanse consul-generaal in de Antillen. Per 1 september 2006 nam hij ontslag.) als voorzitter.
Administratief valt de commissie onder het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, terwijl de dagelijkse uitvoering valt onder het Kabinet van de President. De commissie nam haar intrek in het kantoor van de Geologische Mijnbouwkundige Dienst GMD) in Paramaribo.

Mislukte ‘ordening’ door regering Venetiaan

Ordening van de kleinschalige goudsector was hard nodig. De door de regering Venetiaan uitgevoerde zogenoemde Clean Sweep acties in 2007 en 2008 bleken op een mislukkig te zijn uitgelopen. Venetiaan greep met harde en ongecontroleerde hand in en gebruikte daarvoor zelfs het leger en de politie. Al dan niet met gebruik van geweld werden illegale goudzoekers uit hun goudwinningsgebieden verwijderd. Na de Clean Sweep acties keerde echter binnen korte tijd het gewone dagelijkse leven weer terug op de goudvelden. Het leek er zelfs op of er helemaal geen Clean Sweep acties hadden plaatsgevonden. De regering Venetiaan ontplooide verder nauwelijks initiatieven om de kleinschalige goudsector onder controle te krijgen en om het tropisch regenwoud te beschermen. Tijdens allerlei internationale politieke en maatschappelijke bijeenkomsten, conferenties en congressen smeekten welhaast vertegenwoordigers van de regering, inclusief de president, om Suriname in ruil voor haar duurzaam bosbeheer, te compenseren.

(Met de kap van bomen verdwijnt koolgas – dat in de bomen zit – dat wordt omgezet in het broeikasgas CO2. Door het toekennen van een economische waarde aan de opslag van koolstof in de bomen en bodem krijgen in het Surinaamse tropisch regenwoud staande, levende, bomen, meer waarde dan gekapte, dode, bomen. Het zijn vooral westerse, geïndustrialiseerde landen die moeten gaan betalen voor duurzaam bosbehoud en het tegenaan van CO2-uitstoot.) 

Oud-president Ronald Venetiaan sprak zelfs in zijn openingstoespraak tijdens het VN Bossenforum, het landeninitiatief voor financiering van duurzaam bosbeheer, gehouden te Paramaribo in september 2008 over ‘een vreemde paradox in de internationale gemeenschap’: ‘Iedereen prijst ons de hemel in omdat wij onze bossen hebben kunnen behouden en er is zelfs toenemende druk om meer van ons territoir te behouden en geen economische activiteiten uit te voeren, die een bedreiging vormen voor of schade toebrengen aan onze bossen. Maar er schijnen geen middelen beschikbaar te zijn om ons te helpen investeren in duurzame economische ontwikkeling voor ons eigen volk, terwijl wij de belangrijke functie van longen van de wereld behouden. De paniek op de wereld over de gevolgen van klimaatverandering wordt nog niet vertaald naar vergelijkbare internationale initiatieven om middelen te kanaliseren ter ondersteuning van landen met veel bos. Het is dan ook tijd, en niet meer dan billijk, dat een mondiaal betalingssysteem wordt ontwikkeld om ons, bosrijke landen, te compenseren voor de ecologische diensten die onze bossen aan de internationale gemeenschap verschaffen – bossen die wij door de jaren heen gekoesterd hebben.’

Dat zeer veel bos verloren gaat in Suriname door onder andere de kleinschalige goudsector en dat daartegen door zijn regering nauwelijks iets werd ondernomen, werd uiteraard niet vermeld. Een jaar later sprake toenmalig minister Rick van Ravenswaay van het ministerie van Planning en Ontwikkelingssamenwerking ook mooie woorden: ‘Het bos moet nu echt in geld vertaald worden, en daar wachten wij nu op. We hebben het jarenlang in stand gehouden en we willen er nu wel geld voor hebben.’ Een maand later wees oud-president Ronald Venetiaan tijdens de Klimaattop van de Verenigde Naties in het Deense Kopenhagen weer eens op het feit dat Suriname één van de meest kwetsbare landen ter wereld is als het gaat om de negatieve gevolgen van klimaatverandering. Venetiaan benadrukte dat het lage Surinaamse ontbossingscijfer en de dichte bosbedekking te danken zijn aan ‘een langdurig en consistent beleid’.

In de smeekbeden werd dus vooral gewezen op de wijze waarop Suriname haar tropisch regenwoud beschermd en op de wijze waarop dat bos duurzaam wordt beheerd. Maar, school daarin niet enige mate van hypocrisie? Hoe duurzaam werd dat Surinaamse regenwoud werkelijk beheerd en beschermd?

Natuurlijk, het land deed haar best om haar natuurlijke rijkdommen zo goed mogelijk te beschermen, maar aan de andere kant waren en zijn het anno 2012 nog steeds natuurlijke hulpbronnen die zorgen voor grote kaalslag in het bos. Hoeveel bomen gaan er niet tegen de vlakte in het binnenland om grote groepen Surinamers en Brazilianen de ruimte te geven naar goud te mijnen? Maar, wat zou de Surinaamse regering doen wanneer in het uiterste zuiden van het land, waar echt Amazonewoud is (slechts twee procent van het totale Amazonewoud), goud en diamant in de grond blijkt te zitten? Diamant is zelfs aannemelijk. Al in oktober 2007 doken er berichten op dat een Surinaams bedrijf, C-Mining, ‘verkenningen’ wilde gaan verrichten naar de aanwezigheid van diamantvoorkomens bij het inheemse dorp Sipaliwini. De lokale Trio-indianen kwamen echter in verzet uit vrees voor milieuschade. Uiteindelijk kreeg het bedrijf geen concessie.

De regering Bouterse-Ameerali nam de kleinschalige goudsector serieus en had zich dan ook snel na haar aantreden in augustus 2010 al uitgesproken over een snelle aanpak van de sector door de kleinschalige goudsector in de legale wereld te trekken. In het binnenland heerste een onoverzichtelijke situatie met als gevolg negatieve gevolgen voor inkomensgenerering van de overheid, milieuschade, gezondheidsschade, ontbreken van een veiligheidsgevoel en inbreuk op de sociale cohesie van gemeenschappen. De commissie denkt tot zeker 2015 met het ordenen bezig te zullen zijn. Het voornaamste doel van de COG is om ‘illegale/ informele activiteiten en situaties weer naar de legale sfeer te brengen’. Daartoe heeft de commissie zich, aldus haar website, voorgenomen om de volgende condities te behalen: herstel van het overheidsgezag en overheidscontrole, een inkomen voor de overheid uit te heffen belastingen, veiligheid van burgers en gemeenschappen, efficiëntie in de goudmijnactiviteiten door onder andere duurzame extractie en productie, milieubescherming en mijnrehabilitatie en een goede gezondheidszorg voor iedereen die betrokken is bij de kleinschalige goudwinning.

Problemen met illegale goudzoekers op Kraboedoin Gebergte

De eerste contouren van een ordening van de kleinschalige goudwinning werden al een aantal maanden voor het instellen van de Commissie Ordening Goudsector zichtbaar.

Eind maart 2010 kwamen de bewoners van Brownsweg in het district Brokopondo in actie tegen Braziliaanse goudzoekers bij het Kraboedoin Gebergte. De garimpeiros waren bezig een eigen kolonie te stichten met Chinese winkels, bordelen en verhuurbedrijven voor zwaar materieel, te vergelijken met Vila Brazil en Benzdorp. De Brazilianen waren naar het gebied gekomen, omdat een gouddelver een lucratieve ader zou hebben ontdekt. Die delver zou in het geheim met toestemming van de dorpskapitein een concessie hebben aangevraagd bij de Geologische Mijnbouwkundige Dienst. Een Chinees winkelier had van zes kapiteins van Brownsweg toestemming gekregen om een supermarket te openen. Overigens behoorde het gebied toe tot het exploratiegebied van de Canadese goudmijnmultinational IAmGold, eigenaar van de grote Rosebel goudmijn te Brokopondo. De bewoners bezetten de belangrijke weg naar Atjoni. Ze gingen tot de actie over, omdat de regering geen actie ondernam tegen de goudzoekersactiviteiten. Het verhaal deed de ronde dat het ministerie van Justitie en Politie niet wilde ingrijpen, omdat door de Brazilianen oud-politieagenten en oud-inspecteurs van politie waren ingeschakeld als beveiligers. Maar, ook stelden zij zich op het standpunt zelf rechten te hebben om naar goud te zoeken in hun eigen woongebied.

De illegale situatie in het gebied was voor zowel minister Michel Felisi van het ministerie van Regionale Ontwikkeling als voor Gregory Rusland, minister van Natuurlijke Hulpbronnen, aanleiding om in actie te komen. Maar, toen de Brazilianen lucht kregen van een ophanden zijnde politie-ingrijpen, verlieten zij zelf het gebied, geholpen door actievoerders uit Brownsweg. Twee veiligheidsmensen van het bedrijf Mozart Security in Paramaribo bleken voor de veiligheid van de illegale garimpeiros te zorgen. Volgens mediaberichten waren de twee mannen in dienst van een politieinspecteur. Onder de bewoners van Brownsweg was ook nog eens tweespalt. Een deel van de inwoners was van mening dat de Brazilianen konden blijven tegen betaling, terwijl een ander deel vond dat zij moesten verdwijnen uit het gebied. Begin april 2010 bleek dat er toch een groep van rond de honderd garimpeiros in het Kraboedoingebied achter was gebleven. Hierop toog een delegatie bestaande uit actievoerende inwoners van Brownsweg, de dignitarissen van Brownsweg en de ondernemer Karel Donoe naar minister Felisi om de kwestie te bespreken. Aan Donoe zou door de dignitarissen geen toestemming zijn verleend om buitenlandse goudzoekers in te huren. De mannen van Brownsweg zeiden geen bezwaren te hebben tegen de concessieaanvraag van Donoe. Hij zou slechts drie garimpeiros hebben ingezet om naar goud te zoeken in het aangevraagde concessiegebied. Tijdens het onderhoud met de minister werd bepaald dat Donoe zelf door hem ingehuurde Brazilianen uit Kraboedoin moest verwijderen. Actieleider Guilaume Pokie in De Ware Tijd van 7 april 2010: ‘We hebben geen problemen met Donoe. Het is het systeem dat hij wil hanteren om het goud te vinden, daar zijn we niet eens mee. We willen geen Brazilianen rond onze dorpen.’

Karel Donoe had een reputatie weten op te bouwen in de kleinschalige goudsector. Medio september 2007 kwam de man in conflict met de Rosebel Goldmines te Brokopondo. Hij was illegaal werkzaam met Braziliaanse garimpeiros in het concessiegebied van de grote goudmijn, op een stuk grond in het zogenoemde Headley’s Reef Block van de Rosebel. Donoe uitte kritiek op de overheid, omdat volgens hem binnenlandbewoners geen domeingrond in het binnenland toegewezen kregen., maar anderen van buiten het gebied wel. Verder beweerde hij landbouw te beoefenen, maar volgens de Rosebel Goldmines was dat landbouwproject niets meer en niets minder dan een dekmantel om goudactiviteiten te kunnen uitvoeren. De Rosebel goudmijn was de illegale goudzoekers liever kwijt dan rijk. Majoor Pertabsing Goerdajal, chef Veiligheid bij de goudmaatschappij IAmGold – eigenaar van de Rosebel -, had geen goed woord over voor Donoe en zijn Brazilianen. Tegenover de pers liet de majoor weten dat de garimpeiros met hun kwik de kreken in de omgeving sterk vervuilen en daarmee de gezondheid van bewoners bedreigden. Verder laten zij, als hun gebied is uitgemijnd, accu’s, afgewerkte smeerolie, plastic en kapotte machineonderdelen achter in het bos. Volgens Goerdajal hadden de garimpeiros zelfs een provisorisch bordeel opgezet waar Braziliaanse vrouwen werkzaam waren. De Brazilianen verklaarden dat Donoe hen had wijsgemaakt dat hij van de Rosebel toestemming had om op de concessie te werken. Het gebied was verdeeld in stukken en werd aan de Brazilianen verhuurd. Eind september bleek Donoe plotseling uit het IAmGold concessiegebied te zijn verdwenen. ‘Met achterlating van de ravage samen gepleegd met zijn zestig illegale Brazilianen aan het milieu binnen het concessiegebied en zijn zogenaamd landbouwproject met enkele kersenbomen en vijf kokospalmen heeft hij het gebied verlaten’, aldus Goerdajal. Ook had Donoe twee graafmachines en een aantal zuig- en persmachines meegenomen. Niet bekend was waar de man naar toe was getrokken. Hij was spoorloos. Maar, in de eerste week van april 2008 dook hij weer op in het Brokopondogebied toen twee illegale gouddelverskampen in de Rosebel concessie onder politietoezicht werden ontruimd. Volgens aanwezige garimpeiros waren de kampen van Karel Donoe. Ook bij deze ontruiming was Donoe niet aanwezig.

Ondanks gemaakte afspraken moest alsnog door het leger en de politie op 10 april 2010 een heuse razia worden uitgevoerd op het Kraboedoin Gebergte om tientallen garimpeiros hardhandig uit het gebied te verwijderen. Het werd een soort Clean Sweep operatie, waarbij graafmachines, diverse trucks en ander zwaar materieel in beslag werden genomen. Jongeren in Brownsweg grepen het overheidsoptreden aan om te bekijken hoe zij zichzelf zouden kunnen gaan organiseren om het goudrijke gebied op een legale wijze in beheer te krijgen.

John Jones, woordvoerder van het Korps Politie Suriname, maakte eind april 2010 bekend dat ook de goudvelden van Siksi, langs de weg naar Nieuw Koffekamp in het gebied van de grote Rosebel goudmijn, zouden worden ‘gezuiverd’ van illegale goudzoekers. Ook hier waren enkele Brazilianen aan het werk. IAmGold, eigenaar van de Rosebel mijn, had al een klacht bij de Surinaamse overheid ingediend, omdat de Brazilianen het mijnbouwrecht dat het Canadese goudmijnbedrijf had verkregen illegaal exploiteerde. Of het werkelijk tot een ontruiming van Siksi is gekomen, is onduidelijk.

Ondertussen werd in Paramaribo achter de schermen gewerkt aan de oprichting van de presidentiële Commissie Ordening Goudsector.

Porknokkers in het Tapanahonigebied - ongeveer zeshonderd, met gemiddeld zes goudzoekers per mijn - , in het zuidoosten van Suriname, lieten op 13 september 2010 tegenover journalisten weten - die vanuit Paramaribo naar het gebied waren afgereisd om zich ‘te oriënteren’ – niet tegen de voorgenomen ordening van de sector te zijn. Eigenlijk keken zij er zelfs naar uit, omdat ze dachten dat door de ordening vrijer gewerkt zou kunnen worden. Journalisten spraken diverse kleinschalige goudzoekers, zoals de voorman van een van de mijnen aan de rivier bij Pina Pina, Skal Apolie: ‘Hoe dan ook, we zullen moeten betalen om vrij te kunnen werken en we zijn daartoe bereid. Overal waar we nu werken gebeurt dat zonder vergunning.’ Ook moeten de goudzoekers tussen vijf en tien procent van de goudopbrengst afstaan aan de persoon die zeggenschap heeft over de locatie waar gewerkt wordt. Apolie erkende, tegenover de bezoekende groep journalisten, dat op de wijze zoals het erts wordt gewonnen, veel milieuschade wordt aangericht. Maar, de goudzoekers doen volgens de voorman hun best om een uitgemijnde plek netjes achter te laten: die wordt zo goed als mogelijk opgevuld met een bovenlaag aarde die verwijderd wordt van een nieuwe mijnplek vlak naast de oude, aldus Apolie. Over het gebruik van kwik beweerde hij dat iedereen weet dat die stof het milieu zwaar vervuild, maar omdat niemand nog heeft geleerd hoe goud milieuvriendelijk kan worden gewonnen, zal kwik gebruikt blijven worden. In het Sarakreekgebied hadden goudzoekers wel geleerd om zonder kwik te werken, door retorts te gebruiken. Desondanks zijn de goudzoekers kwik blijven gebruiken.

Op weg naar ordening had president Desi Bouterse de kleinschalige goudsector omschreven als ‘een onbeschrijflijke chaos’. Ordening kreeg dan ook prioriteit bij de regering. Ook, omdat de staat geen belasting ontvangt en veel inkomsten misloopt. Daarenboven zouden buitenlandse bedrijven casu quo investeerders, door de chaos op de goudvelden, niet staan te springen om Suriname binnen te komen en om er te investeren. Bouterse: ‘Geen enkele investeerder vindt het prettig om onder deze omstandigheden te investeren. Ordening is belangrijk.’ Ook de directeur van de Dienst der Belastingen, Tony van Dijk, deed een duit in het zakje door het belang van ordening aan te geven. Natuurlijk, de fiscus wilde ook graag een deel ontvangen uit de kleinschalige goudsector.

Escalatie in Meriangebied leidde ordening goudsector in

Na de problemen op het Kraboedoin Gebergte, werd in september 2010 duidelijk dat er ook problemen in zicht waren voor het Nassau Gebergte in het oosten van het land. Daar moesten porknokkers - ongeveer honderdzeventig - verdwijnen uit het Merian concessiegebied van goudbedrijf Surgold, een joint venture tussen Suralco en de Amerikaanse goudmijnmultinational Newmont. Het Korps Politie Suriname riep de goudzoekers via media op om het gebied te verlaten. Achterliggende gedachte bij de ontruiming van dit gebied, waren de plannen van Newmont om in het Nassau Gebergte twee grote goudmijnen te gaan opzetten. Het bedrijf voerde hierover onderhandelingen met de Surinaamse regering, onderhandelingen die begin 2012 nog steeds gaande waren. Op het moment dat de ontruiming door de politie wereldkundig werd gemaakt, was voorzitter Hendrik Babel van de Eenheidsorganisatie Langatabiki (APO) hiervan nog niet op de hoogte. Een week eerder had hij nog met minister Jim Hok van Natuurlijke Hulpbronnen gesproken en hem voorgesteld de goudzoekers een maand de tijd te geven om het gebied zelf te ontruimen. De bewindsman was daarmee akkoord gegaan. Met Hok werd verder afgesproken dat de APO na terugkomst in Langetabbetje het grootopperhoofd Samuel Forster van de Paramaccaners zou inlichten over de gemaakte afspraken. Bij het gesprek met de minister was overigens het Assembleelid Ronnie Brunswijk ook aanwezig, geen onbekende in de Surinaamse goudvelden. ‘We wilden voorkomen dat mensen worden opgejaagd‘, aldus Babel in de Ware Tijd van 27 september 2010.

Dat ordening van de kleinschalige goudsector zeer wenselijk zou zijn, werd in november van de ene op de andere dag benadrukt door een noodlottig ongeluk te Gowtu Bergi in het concessiegebied van Surgold bij Langetabbetje. Door het instorten van wanden van een tunnel werd een aantal goudzoekers onder zand bedolven. Zeven porknokkers vonden de dood. Drie collega’s konden zich op tijd uit de tunnel redden. In het concessiegebied hadden goudzoekers met graafmachines tien tot vijftien meter diep gegraven. Surgold had zowel de regering Venetiaan als de regering Bouterse-Ameerali verzocht om illegale goudzoekers uit haar gebied te verwijderen. De goudzoekers weigerden echter te vertrekken. De politie had wel eerder opgetreden in het gebied, maar het illegaal goudwinnen bleef doorgaan.

De situatie in het Merian concessiegebied escaleerde. De problemen waren dusdanig serieus dat Surgold op 21 november 2010 zelfs een special persbericht uitbracht. In het bericht stelde het bedrijf dat al sinds eind 2009 de situatie in haar Merian concessie was geëscaleerd. ‘Er zijn meer dan achthonderd mensen illegaal actief in het concessiegebied. Zij hebben tientallen graafmachines ter plekke. De porknokkers maken gebruik van onveilige mijnbouwtechnieken’, aldus de vertegenwoordiger van Surgold in Suriname, Esteban Crespo. Volgens Crespo was de situatie dermate ernstig dat Surgold alle exploratieactiviteiten enkele maanden voor het ongeluk al het stopgezet. ‘De veiligheid was niet meer gegarandeerd.’

Een week na het ongeluk in het Surgold Merian concessiegebied verklaarde vicepresident Robert Ameerali na afloop van de wekelijkse persconferentie van de Ministerraad, dat het gebied in het oosten van Suriname waar zeven porknokkers in een mijn de dood vonden niet werd beveiligd door de politie of het leger. Ondanks het feit dat het gebied door de regering formeel was gesloten, is de goudwinning gewoon doorgegaan. ‘Het gebied is gesloten. Als het ergens verboden is goud te winnen, is dat stuk land dus gesloten’, aldus de vicepresident. Hij deed zelfs een klemmend beroep op de goudzoekers om de minimale veiligheidsvoorschriften in acht te nemen. Een beroep dat was gericht tot dovemansoren. Verder wees hij op het belang van de ‘informele’ goudsector, die in Suriname werk en een inkomen zou bieden aan rond de tienduizend mensen. Ameerali: ‘Iedere keer als we zeggen dat we gaan ontruimen en de boel gaan ordenen, staan er groepen op die protesteren omdat ze hun brood daar verdienen. Maar nu heeft het gedoogbeleid zijn tol geëist.’ De vicepresident zei ook haast te willen maken met de aangekondigde ordening van de goudsector. De vraag van een van de aanwezigen journalisten of omgekomen illegale goudzoekers die geen belasting betaalden en grondstoffen stalen wel drie dagen nationale rouw verdienden, schoot bij de vicepresident in het verkeerde keelgat. ‘Het zijn landskinderen. Mannen die voor hun kinderen en vrouwen een boterham probeerden te verdienen. Ze betaalden net zo goed belasting; elke keer als ze iets in de winkel kochten of benzine tankten.’ Hij reageerde ook kribbig op een vraag over de schuldvraag van het noodlottige ongeluk: ‘Ik kan niet tegen schuldvragen. Is het soms Gods schuld dat het had geregend? Wat een flauwekul.’

Door: Paul Kraaijer

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen