vrijdag 8 februari 2013

De geschiedenis van de kleinschalige goudwinning

 Goudwassers bij een longtom op het terrein van de goudmijn Gros Placer 1920-1923 (Tropenmuseum Amsterdam )                                             

Suriname kent een lange en bewogen geschiedenis voor wat betreft de kleinschalige goudwinning. Hier en daar is in historische bronnen summiere informatie in snel opeenvolgende jaartallen te vinden. Het maakt het mogelijk in vogelvlucht door de historie van de kleinschalige goudsector te vliegen.

De eerste goudexploratie activiteiten in Suriname blijken al in 1687 en 1688 te hebben plaatsgevonden op gezag van gouverneur Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijck. Zijn zucht naar goud werd vooral gedreven door de in die jaren rondzoemende verhalen over het zogenaamde goud van El Dorado. - El Dorado, De Vergulde, zou een mythisch goudland zijn dat ergens in Zuid-Amerika ligt. De Spaanse conquistadores hoorden in de 16e eeuw van indianen, dat een koning zich in het Parima meer zou baden en iedere keer het meer verliet bedekt met goud: de Gouden Man of El (Hombre) Dorado in het Spaans. De conquistadores gingen uiteraard meteen op zoek naar dit Parima meer, in het gebied van de bovenloop van de Orinoco rivier. Het nieuws over El Dorado verspreidde zich snel, met als gevolg dat er vele expedities georganiseerd werden door zowel Spanjaarden als Nederlanders, Fransen en Engelsen. Er werd tot diep in de 18e eeuw gezocht in Colombia, Venezuela, Brazilië en de Guyana’s, maar ondanks de vele geruchten over mogelijke vindplaatsen werd geen klompje goud gevonden. – Van Aerssen organiseerde een expeditie stroomopwaarts van de Surinamerivier met als doel het Parima meer en de legendarische gouden stad Manoa te vinden. Helaas, kwam de expeditie zonder resultaten terug.

Het eerste gevonden goud begin 18e eeuw

De eerste werkelijke goudvondsten in Suriname werden vanaf 1717 gedaan en die leidden in 1718 tot de oprichting van de ‘Societeits Goudmijn’ op de Parnassus Berg (Blauwe Berg). Gouverneur Hendrik Temming – die vanaf het jaar dat hij gouverneur werd, 1722, ook eigenaar werd van de plantage Berg en Dal - beëindigde echter de goudmijnactiviteiten, omdat de kosten voor de Sociëteit van Suriname, eigenaar van het land en financier van de goudmijn, volgens hem in geen verhouding stonden tot de opbrengsten. - De Sociëteit van Suriname was een particuliere Nederlandse koloniale onderneming. Waarschijnlijk al in 1680 begonnen Cornelis van Aerssen en Philip van Hulten besprekingen over de oprichting van de Sociëteit. Pas op 21 mei 1683 werd de ‘Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname’ een particuliere onderneming, met als doel winst te maken op het beheer van de kolonie. De Sociëteit telde drie deelgenoten die elk een stem hadden en elk voor een derde participeerden: de West-Indische Compagnie, de familie van Aerssen van Sommelsdijck en de stad Amsterdam. Deze participanten zorgden voor de aanvoer van slaven, kolonisten of planters, verdediging en bestuur. Ze verdeelden de kosten en de baten gelijkelijk. In 1795 werd de onderneming opheven. 

Tussen 1729 en 1741 was een tweede ‘Societeits Goudmijn’ actief in het gebied tegenover de palmolieplantage Victoria. Een jaar later begon het eerste Surinaamse private goudmijnbedrijf, de ‘Geoctroyeerde Surinaamsche Mineraal Compagnie’, te mijnen in hetzelfde gebied. Het bedrijf had concessies verkregen van de ‘Societeits Goudmijn’ om te mijnen tussen 1742 en 1745. Aan de werkzaamheden kwam abrupt een einde toen een mijn instortte en veertig arbeiders gedood werden. Het duurde meer dan een eeuw voordat weer begonnen werd met goudwinning.

J. Wolbers schreef in 1861 in ‘Geschiedenis van Suriname’ het volgende:

‘Sedert de vruchtelooze pogingen der Spanjaarden en Portugezen om goud in Suriname te vinden; sedert het gebleken was, dat de grootsche denkbeelden daarover van den Engelschen avonturier Walter Raleigh ijdel waren; sedert dat de, op bevel van van Sommelsdijk en eerst na zijnen dood teruggekomen, tot het opsporen van het goudrijke (?) meer van Parima uitgezondene officieren en soldaten de onwaarheid dier velerlei sprookjes van Eldorado enz. op nieuw bevestigd hadden, sedert had men er van afgezien om zoo diep in de aarde te wroeten ten einde schatten te ontdekken; men behoefde immers den bodem slechts eenige voeten om te werpen en er vervolgens het zaad in te strooijen en het welig opschietende en de snelgroeijende koffijheester beloonden beter den arbeid, en het goud, daarvoor in ruiling verkregen, vloeide ruimschoots in de beursen der volkplanters. Dan in 1742 wilde men toch nog eens weder beproeven of men het nog niet gemakkelijker kon bekomen. In genoemd jaar werd door Wilhelm Hack en anderen ene compagnie opgerigt tot het zoeken naar mineraal, edelgesteenten en andere kostbare stoffen. Heeren Directeuren der ‘geoctroyeerde societeit van Suriname’ verleende hiervoor een octrooi, waarbij het den ondernemers, bij uitsluiting van anderen, vergund werd, alomme door de gansche kolonie onderzoek te mogen doen naar goud, zilver, koper, tin, lood, edelgesteenten en anderen profijt gevende voorwerpen, hoe dezelve voorkwamen, of ook genaamd mogten zijn, zoo op als onder de aarde. Hoewel gemeld wordt dat de heeren Hack, wat de onkosten betrof, wel besloten waren, om deze onderneming voor eigene rekening aan te vangen, zoo hebben zij, in aanmerking van den naijver, die bij wèl slagen, daaruit tegen hen kon ontstaan, gewild, dat alle onderdanen van den Nederlandschen staat hierin aandeel konden verkrijgen, en mitsdient eene maatschappij of vennootschap opgerigt, onder den naam van ‘Geoctroijeerde Surinaamsche Mineraal-compagnie.’ (...) Weldra werden verscheidene mijnwerkers naar Suriname gezonden; de oorlog was opnieuw aan de ingewanden der aarde verklaard. Bij den berg Victoria, alwaar hun door de societeit, (...), een streek lands van tien mijlen in den omtrek geschonken was, begon men den arbeid, doch met geen zeer gelukkig gevolg. Door verzuim van de noodige voorzorgen stortte een gedeelte van het werk in, en werden veertig menschen onder die instortende massa levend begraven. Er werd wel eenige erts gevonden en naar Europe verzonden; doch deze hield naauwelijks zoo veel metaal in, dat de vracht hieruit kon betaald worden; zoodat deze onderneming evenzeer mislukt is als de vroegere goudzoekingen.’

Goudvondsten in 19e eeuw

De Duitse geoloog dr. Friedrich Voltz arriveerde in 1853, met financiële steun van de Nederlandse regering, in Suriname. Hij moest onderzoeken of de vestiging van een Duitse kolonie in Suriname mogelijk zou zijn. De Duitser ontdekte tijdens zijn reis door Suriname op de linkeroever van de Marowijnerivier, bij de Sipariwiniekreek, een steensoort die veel overeenkomsten vertoonde met gesteente uit de Braziliaanse deelstaat Maranhão in het noordoosten van het land, met rijke goudbeddingen. (Voltz is de naamgever van een van de heuveltoppen aan de rechteroever van de Coppenamerivier, iets boven de bekende Raleigh-vallen, de Voltz Berg).

Kort na terugkeer in Paramaribo werd Voltz ernstig ziek en overleed enkele dagen later (1855). Hij bleek brieven naar contacten in Nederland en Duitsland te hebben geschreven, waarin hij onder andere repte over zijn ervaringen in Suriname. Helaas waren belangrijke wetenschappelijke aantekeningen verdwenen. Enige tijd na zijn overlijden werden daadwerkelijk op een door hem aangewezen locatie aan de Marowijnerivier grote hoeveelheden goud gevonden. In 1862 voerde de Engelsman I. Rozenberg een onderzoek uit in het Boven-Suriname gebied, op zoek naar goudvoorraden. Hij had ervaring opgedaan in Australische goudvelden. Rozenberg vond sporen van goud. Van zIjn bevindingen deed hij verslag aan gouverneur Reinhart Frans van Lansberge die vervolgens zijn chef van het zogenoemde Bouwdepartement, het huidige ministerie van Openbare Werken, Johan François Adriaan Cateau van Rosevelt, opdracht gaf om samen met Rozenberg een reis door het gebied te maken waar goudvoorraden waren aangetroffen. Dat was de in het Gelderse Hattem in 1823 geboren Cateau van Rosevelt wel toevertrouwd. Hij had immers een staat van dienst als lichtmatroos, stuurman en ontdekkingsreiziger en cartograaf van het Surinaamse binnenland. De reis, welke duurde van 5 tot 18 september 1862, moest echter vroegtijdig afgebroken worden, omdat Rozenberg ernstig ziek werd. De chef van het Bouwdepartement vermeldde in zijn rapport van de reis, dat men onder andere te Victoria - waar ook de 18e eeuwse ‘Geoctroijeerde Surinaamsche Mineraal-compagnie’ had gewerkt - ‘eenige korrels fijn goud, welke alhoewel op zichzelve weinige waarde hebbende, toch het bewijs opleveren, dat zich alhier een goudveld bevindt’ had gevonden. De uitkomst van de reis had verder tot gevolg, dat in New York een maatschappij werd opgericht, de ‘New York and Surinam Company", die op 18 Juli 1870 een belangrijke concessie ontving, maar er niet in slaagde om op tijd met haar werkzaamheden te beginnen. Daardoor werd die concessie in 1874 vervallen verklaard.

Goudwingebied placer Gebr. L.&F. de Jong 1925 A.C.P. Curiel (Tropenmuseum Amsterdam)
Over de ‘New York and Surinam Comany’ is het volgende opgetekend door Herman Daniël Benjamins in de Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië 1914-1917:

‘Rosenberg, overtuigd van de juistheid zijner meening, trachtte belangstelling voor de zaak op te wekken in het buitenland. Dit schijnt hem gelukt te zijn, want in Juli 1868 wendden hij en de heeren Sawyer en Benjamins, als vertegenwoordigers van een te New-York opgerichte ‘New-York South America Surinam goldmining company’, in eene latere overgelegde acte van oprichting genoemd ‘New-York and Surinam Company’, zich tot den Gouverneur, met het verzoek, voor den tijd van 50 achtereenvolgende jaren kosteloos ter beschikking te stellen van deze Maatschappij 6000 akker (2574 H.A.) van 's lands domein ter ontginning van mijnen. Aan adressanten werd te kennen gegeven, dat ‘tot eenige concessie aan genoemde maatschappij niet kan worden overgegaan, zoolang zij niet door het bevoegd gezag als zedelijk lichaam erkend is, door goedkeuring van hare statuten of reglementen, bevattende het doel, de grondslagen, den werkkring en de overige regelen der vereeniging’. Echter werd hun persoonlijk toegestaan, om gedurende eenigen tijd voorloopig in de onderscheidene districten in 's lands domein een onderzoek in te stellen. Kort daarna voldeed de maatschappij aan de door het Bestuur gestelde voorwaarden en werd deze bij G.R. dd. 2 Sept. 1869, No. 2, als rechtspersoon erkend. Verder namen de Koloniale Staten 2 Mei 1870 eene verordening aan, waarbij de Gouverneur gemachtigd werd, onder zekere voorwaarden, de concessie aan de Maatschappij te verleenen. Deze verordening werd 11 Juni d.a.v. (G.B. No. 4) afgekondigd en de Gouverneur verleen de de concessie bij Besluit van 18 Juli 1870, No. 1. De concessie was inderdaad eene belangrijke. Aan de maatschappij werd voor den tijd van vijftig jaren, in te gaan 1 Aug. 1870, toegestaan: ‘een terrein van 6000 akkers (2574 H.A.) van 's lands domein, gelegen in het district Boven-Suriname aan den rechteroever der Suriname, zich uitstrekkende tot aan de Sarakreek, tot ontginning van goud, zilver, andere metalen en steenkolen en inzameling van alle andere voortbrengselen der kolonie.’ Onder de voorwaarden kwam o.m. voor, dat binnen twee jaren na den voormelden afstand de maatschappij ten genoegen van den Gouverneur het bewijs zou moeten leveren, dat het maatschappelijk kapitaal van $60000.-, bepaald als het kapitaal der maatschappij in het overgelegde ‘certificate of corporation dd. 15 December 1868’, geplaatst was; verder, dat zij met hare werkzaamheden geen aanvang zou mogen maken, dan nadat het bewijs was geleverd, dat een derde, van het voorgeschreven kapitaal was gestort, welk bewijs ten genoegen van den Gouverneur moest zijn geleverd binnen een jaar na den voormelden afstand en de voormelde vergunning. In Aug. 1872 kwamen vijf door het Bestuur dezer maatschappij uitgezonden mijnwerkers, onder leiding van den heer Hoyte aan. Ofschoon het document overgelegd, ten blijke, dat het bij de verordening bedoelde een derde van het maatschappelijk kapitaal gestort was, onvoldoende bleek, werd ter bevordering van de zaak aan genoemden Hoyte, in afwachting van een meer voldoende verklaring, vergunning verleend, voor den tijd van zes maanden, in te gaan 15 Aug. 1872, zoodanige nasporingen en voorloopige werkzaamheden te doen in het aan de maatschappij afgestaan terrein, als hem noodig zou voorkomen. Hoyte keerde in Nov. 1872 van een onderzoekingsreis terug en bevestigde de geschiktheid van het terrein; hij vertrok daarop naar Noord-Amerika, onder toezegging van spoedigen terugkeer, doch, behalve van een verzoek tot vergrooting van het terrein, dat bij G.R. dd. 28 Aug. 1873, No. 1, afgewezen werd, vernam men niets meer van de maatschappij en de concessie werd in het laatst van 1874 vervallen verklaard.’

Het bleef in de 19e eeuw nog wat aanmodderen in de kleinschalige goudwinning, maar de belangstelling voor de avontuurlijke sector was absoluut gewekt. Het was gouverneur jonkheer Cornelis Ascanius van Sypesteyn (gouverneur van 1 augustus 1873 tot 11 november 1882) die de algehele goudwinning nieuw leven in blies. Hij was onder de indruk van de hoeveelheid goud die in een buurland Frans-Guyana werd gevonden: in 1874 werd door Frans-Guyana 1.432 kilo goud uitgevoerd. Dit was reden genoeg voor de gouverneur om in augustus 1874 een expeditie richting de Marowijnervier te sturen. Onder leiding van zijn secretaris mr. P. Alma vertrok een team bestaande uit éénenvijftig personen aan boord van het stoomschip ‘Paramaribo’ naar de Marowijnerivier. Van Sypesteyn wilde weten of aan de Nederlandse zijde van de rivier ook een mogelijkheid was om goud te winnen. De reis zou duren van 17 augustus tot en met 19 september. Onder de expeditieleden waren onder andere de Engelsman Rozenberg en landmeter W.L. Loth. Loth beschikte over veel kennis over het Surinaamse binnenland. Volgens het rapport dat over de reis werd geschreven had het onderzoek van de Aroewarakreek tot de Grankreek, langs de Marowijnerivier, uitgewezen dat ‘de formatie van den grond dezelfde was als die aan den Franschen oever, alwaar de goud-industrie zich met goed gevolg ontwikkelt’. Het rapport leidde snel tot diverse aanvragen voor een vergunning om naar goud te mogen zoeken aan de Boven-Marowijnerivier. De eerste concessie tot ontginning van goud werd op 1 februari 1875 uitgegeven, en de pachtprijs werd op tien cent per hectare bepaald. Tegen het eind van 1875 was aan negen pachters 52.460 hectare uitgegeven, waarvan 47.260 hectare aan de Marowijnerivier en 5.200 hectare aan de Surinamerivier. Ook waren acht vergunningen aan de Boven-Surinamerivier en één aan de Boven-Marowijnerivier verleend. Bij de eerste aanvragers waren de Brit Rozenberg en de Duitser August Kappler. Deze Duitse onderzoeker en ontdekkingsreiziger kwam in januari 1836 als soldaat naar Suriname. Hij raakte gefascineerd door de natuur en begon planten en insecten te verzamelen. Van 1842 tot 1846 was de Duitser gestationeerd te Paramaribo waar hij in het binnenland verzamelde vlinders verkocht. Hiermee verdiende hij dusdanig veel geld dat hij in 1846 een stuk land aan de Marowijnervier kon kopen. Daar bleef hij drieëndertig jaar wonen en zijn woonplaats werd uiteindelijk Albina genoemd, naar zijn verloofde Albina Josefine Liezenmaier. In 1854 publiceerde hij zijn boek ‘Sechs Jahre in Surinam’ , over zijn ervaringen gedurende de periode dat hij lid was van de koloniale dienst. Kappler verliet Suriname in 1879. Hij keerde terug naar Duitsland, waar hij nog twee boeken over zijn Surinaamse periode schreef, en overleed in Stuttgart op 71-jarige leeftijd. In 1875 konden diverse goudconcessies worden verstrekt. De eerste staaf goud van ongeveer een halve kilogram werd gekocht door de Surinaamsche Bank. In totaal werd in 1875 zo’n zesendertig kilogram uitgevoerd - met schepen van de Compagnie Générale Transatlantique - met een totaalwaarde van ongeveer 49.000 gulden. Het ging voorspoedig met de ontwikkeling van de Surinaamse goudsector. Om de ontwikkeling van de goudsector te bevorderen, werd een voorschrift uit 1855 (‘Van alle mineralen in deze kolonie gevonden wordende, moet door den eigenaar een vijfde gedeelte van hunne geldswaarde na aftrek van kosten en exploitatie, aan het Gouvernement worden afgestaan.’), na goedkeuring van de Koloniale Staten, per 14 Maart 1876 ingetrokken. Ook werd met ingang van die datum de uitvoer van onbewerkte mineralen vrijgesteld.

Binnenland toegankelijk gemaakt

Toch waren er ook een paar problemen, waarvan het wegennet de voornaamste was. Het was bijzonder lastig om ver het binnenland in te gaan. Om dat ondoordringbare binnenland toch toegankelijker te maken werden in 1876, 1877 en 1878 expedities door W.L. Loth, in opdracht van gouverneur Van Sypesteyn, op touw gezet om zogenoemde tracés te kappen: honderd kilometer van de Suriname- (bij Brokopondo) naar de Marowijnerivier, van de Suriname- naar de Saramaccarivier over drieënzestig kilometer en van de Tempatikreek naar de Boven-Surinamerivier (veertig kilometer). Het resultaat was, dat meer concessies werden uitgegeven en dat behalve aan de Marowijnerivier, ook onderzoekingen aan de Suriname- en Saramaccarivier werden uitgevoerd. De concessies hadden in 1882 een grootte van 587.000 hectare.

In 1876 werd ook goud ontdekt te Sarakreek. In de periode 1876 tot 1879 werden meer dan honderdvijfentachtig nieuwe goudlocaties, zogenoemde ‘placers’, gevonden bij de Boven-Surinamerivier, de Saramaccarivier, de Boven-Tempatikreek, de Mindrinetiekreek en de meest belangrijke werd gevonden bij de Boven-Sarakreek (Sarakreek is één van de zes ressorten en het grootste van het district Brokopondo. Een groot deel van de oppervlakte van Sarakreek bestaat uit water (Brokopondostuwmeer). In het oosten, zuiden en westen grenst het Sarakreek aan het district Sipaliwini en in het noorden aan de ressorten Brownsweg en Brokopondo. Volgens het Centraal Bureau voor Burgerzaken woonden in 2004 4.913 mensen te Sarakreek.)

In 1880 bedroeg de goudproductie ongeveer 681 kilo.

Op 2 mei 1884 verscheen een door jhr. Mr. W. Elout van Soeterwende geschreven interessant artikel met als titel ‘De Surinaamsche Goudvelden’ in het koloniaal nieuws- en advertentieblad Suriname. Het artikel gaat vooral over de omstandigheden waaronder goudzoekers werkten. Hieronder enkele passages over de gezondheidszorg voor zieke goudzoekers: ‘Er zijn vooral drie moeilijkheden, waarmede de goudzoeker in Suriname te kampen heeft. Vooreerst de gezondheidsfactor, ten tweede de onbetrouwbaarheid van de personen met het toezicht belast en ten derde de lange, moeilijke en soms gevaarlijke wegen naar de goudvelden, die, al naarmate den afstand van zes dagen tot drie weken duurt.

Die gezondheidsfactor beheerscht wel voor een groot deel de goudwinning in Suriname. Ten slotte is het sterkste en meest taaie gestel niet bestand tegen een leven in 't bosch, ook al worden de grootste voorzorgen genomen. De uit de moerassen opstijgende dampen veroorzaken al zeer spoedig de gevaarlijkste koortsen. Dan moet de lijder, die soms op de tweeden dag reeds niet meer 't aan kan, zoo hevig en afmattend kunnen de aanvallen zijn, het koste wat het wil, worden vervoerd. En ter eere van de negers moet worden erkend dat ze tot die taak ouder de moeilijkste omstandigheden steeds bereid gevonden worden. En ’t is geen gemakkelijke zaak om met z’n zessen een ziek man in zijn hangmat aan een lange paal of sterke bamboes soms een dag of wat door 't bosch over bergen en kreken te dragen, langs een pad , dat voor een enkel persoon soms reeds zoo moeilijk te begaan is. En de arme lijder, wiens hoofd nu eens hooger en dan weer lager hangt dan zijne voeten, en niettegenstaande de grootste zorg vaak in onzachte aanraking komt met omgevallen hoornen en met steenen en rotsen, en voor wien de hangmat geen beveiliging is tegen de makka-doorn, is op zoon oogenblik minder te benijden dan jongelieden met avontuurlijken inborst allicht meenen, wanneer zij zich het leven van den goudzoeker voorstellen. Is men eenmaal aan den waterkant, dan is 't ergste achter den rug. De zieke wordt achter in de boot gelegd, de pagaais worden opgevat en er wordt geroeid met een ijver die aan 't ongeloofelijke grenst. Er zijn voorbeelden van dat bij zoon gelegenheid negers dagen aan één stuk hebben doorgeroeid. En is de zieke eenmaal in de stad, dan wacht hem 't zij bij vrienden, 't zij in het militair hospitaal, een uitstekende verpleging, zoodat hij gewoonlijk weer herstelt, hetgeen geen niet belet dat de koorts spoedig daarop den patiënt gewoonlijk opnieuw aangrijpt. Intusschen komen er inderdaad slechts weinige gevallen met doodelijken alloop voor, hoewel de gezondheid na eenige koortsaanvallen een gevoeligen knak krijgt en soms totaal vernield wordt. Weldra ziet zoo iemand er als een wandelend geraamte uit.

Tijdens mijn verblijf in de kolonie werd de eigenaar van een placer in korten tijd driemaal ziek van de goudvelden weggedragen. Hij liet zich echter daardoor niet afschrikken om er steeds weer heen te gaan en is thans voor zijne volharding beloond door een vondst van een kreek , naar ik hoor, zóo rijk, dat in één maand 300 kilo gewonnen isI Ik moet er echter voor waarschuwen om niet te veel te hechten aan de cijfers die men zoo hoort noemen, want men is in Suriname zeker niet minder dan elders tot vergrooting geneigd en de gelukkige vinder zal zeiden aan iemand opgeven hoeveel hij vond. Zeker is het dat men, door ondervinding geleerd, te Paramaribo in 't algemeen dezen factor der gezondheid niet licht telt. (...)’

In de jaren na 1880 daalde de opbrengst, om weer te stijgen na enkele belangrijke vondsten in de Boven-Sarakreek (1881-1882), totdat in 1887 ongeveer 859 kilo bereikt werd. In het gebied tussen de Lawa- en de Tapanahonirivier werd in de tweede helft van 1885 door enkele Fransen uit buurland Frans-Guyana goud ontdekt. Er bestond echter al enkele jaren een verschil van mening over het eigendomsrecht van het gebied tussen Frankrijk en Nederland. In 1861 was door een Nederlands-Franse Commissie dat geschil al in het voordeel van Suriname beslist, maar toen werd verzuimd de uitkomst door een zogenoemd traktaat te bekrachtigen. Door de ontdekking van goud tussen de Lawa- en de Tapanahonirivier en na lang diplomatiek onderhandelen kwamen beide landen overeen het geschil aan de arbritage van de Czaar van Rusland te onderwerpen. Deze besliste in mei 1891 ook ten gunste van Suriname, onder beding, dat de rechten door Fransen bona fide op dit gebied verkregen, geëerbiedigd zouden worden. Een jaar later werden daar concessies uitgegeven en met goed gevolg. In 1894 werd een belasting ingevoerd van zeven cent per kilo goud. Minstens tien procent van de goudproductie werd echter niet opgegeven.

In het in februari 1898 uitgeven Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië van dr. W.R. baron van Hoëvell (2e nieuwe serie, 2e jaargang) verscheen onder andere het artikel ‘Concessiën in Suriname’, geschreven door ene H. Pyttersentz (pagina 110 tot en met pagina 130). Het artikel geeft een goed beeld van de wijze waarop in de jaren ’80 en ’90 van de 19e eeuw werd omgegaan met goud- en tramconcessies aan buitenlandse personen, met name uit Engeland en Amerika. Uit de interessante tekst wordt ook duidelijk dat in die jaren geworsteld werd met de aanwezigheid van buitenlanders in het land die door het verkrijgen van concessies goud en geld het land uitvoerden. Ook toen werd gediscussieerd over de vraag of de overheid er niet voor moet waken dat buitenlanders en buitenlandse ondernemingen aan de haal gaan met de Surinaamse natuurlijke hulpbronnen. Een discussie die anno 2011 en 2012 ook actueel was vanwege de onderhandelingen die de regering Bouterse-Ameerali voerde met zowel de Canadese goudmijnmultinational IAmGold (eigenaar van Rosebel Gold Mines NV) en de Amerikaanse goudmijnmultinational Newmont die in het Nassaugebied in het oosten van het land de hoop heeft gevestigd op het opzetten van twee goudmijnen.

De tekst van het artikel ‘Concessiën in Suriname’ uit februari 1898 is hieronder integraal overgenomen uit het tijdschrift:

‘Concessiën in Suriname.

Herhaaldelijk is gedurende de laatste weken in de bladen gewaagd van de ontstemming, welke in de Kolonie Suriname heerschte, naar aanleiding van de lastgeving van den Minister van Koloniën aan den Gouverneur om niet over te gaan tot afkondiging eener Verordening, waarbij aan de heeren Duncan c.s. concessie werd verleend voor den aanleg van een spoorweg van Paramaribo in Z. W. richting naar de Saramacca, en tot de vervroegde afkondiging eener Verordening, waarbij aan het syndicaat Barr Robertson vergunning werd verleend om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van delfstoffen, op terreinen gelegen aan de Boven-Saramacca.

De juistheid dier berichten, zoo wat de lastgeving van den Minister betreft, als van de daardoor ontstane ontstemming in de Kolonie, valt wel niet te betwijfelen. Deze laatste is dan ook allezins begrijpelijk; sedert jaren leidt Suriname, ondanks zijn natuurlijken rijkdom en vele hulpbronnen, een kwijnend bestaan, zoodat voordurend finantieele steun van het Moederland noodig is. Terwijl de geheele ontwikkeling der Kolonie zich tot heden bepaalt tot de smalle kuststreek langs den oever van den Atlantischen Oceaan, liggen daar in het binnenland uitgestrekte terreinen, waarvan men schier niets weet, doch waarvan vermoedt wordt, dat zij onmetelijk rijk zijn aan verschillende mineralen en bij uitstek geschikt voor alle tropische cultures.

Ofschoon eene Nederlandsche Kolonie, hebben noch de Regeering, noch het Nederlandsche kapitaal zich tot heden gelegen laten liggen aan een onderzoek dier terreinen, teneinde daaromtrent de betrouwbare gegevens te verzamelen, die allereerst noodig zijn om de ontwikkeling dier streken mogelijk te maken.

Behalve aan kennis omtrent den aard en de gesteldheid dier terreinen en hunne vermoedelijke geschiktheid voor ontginning en cultuur, behoefde men voorts snellere en minkostbare verkeersmiddelen om de ontwikkeling dezer nagenoeg onbereikbare en onbevolkte streken ter hand te nemen.

Nu komen twee personen, vertegenwoordigers van schijnbaar machtige syndicaten, de een met de aanvraag om concessie voor den aanleg en de exploitatie van een spoorweg naar het onbekende binnenland, de andere om vergunning tot het instellen van een onderzoek op uitgestrekte terreinen; het Koloniaal Bestuur, overtuigd van de groote voordeden, welke voor de Kolonie in de toekomst uit deze aanvragen zullen voortvloeien, betoont zich bereid concessie en vergunning te verleenen; reeds ziet men in gedachten den weg naar het onbekende binnenland geopend, en als gevolg daarvan toenemende welvaart voor de geheele Kolonie, als een machtwoord van den Minister al die schoone verwachtingen den bodem inslaat.

Het moeten ongetwijfeld ernstige, gewichtige redenen zijn geweest, welke dezen Minister, die de beteekenis van industrie en landbouw voor de ontwikkeling van een land kent, die bovendien herhaaldelijk getoond heeft den vooruitgang van Suriname te bedoelen, en niet noodeloos de gemoederen in de Kolonie zou willen ontstemmen, tot het nemen van deze besluiten hebben geleid. Ter juiste beoordeeling dier redenen is het evenwel noodig eenig meerder licht te doen opgaan over de verschillende aanvragen om concessie en vergunning, dan tot heden is geschied.

Tot voor weinige jaren was Suriname alleen bekend wegens de buitengewone vruchtbaarheid van den bodem en zijne geschiktheid voor verschillende cultures. Wel had de heer Westphal omstreeks 1855 beweerd te Phedra, aan de Surinamerivier, steenkolen te hebben gevonden, maar latere onderzoekingen hadden de onjuistheid dezer bewering aangetoond. Van de geologische gesteldheid van het land was nagenoeg niets bekend; een Duitscher, Dr. Voltz, was in het midden dezer eeuw met het instellen van een wetenschappelijk onderzoek begonnen, maar de resultaten zijner waarnemingen gingen na zijn dood gedeeltelijk verloren, en werden voor een deel eerst openbaar gemaakt door den hoogleeraar K. Martin, die in 1885 een onderzoek instelde aan de rivier de Suriname. Dat Suriname's bodem goud bevatte was toen ter tijd reeds gebleken, maar omtrent de ligging, de uitgestrektheid en den vermoedelijken rijkdom der goudhoudende formatie wist men nagenoeg niets met zekerheid. Reeds de heer Martin wees er op, dat het van groot belang zou zijn, als eerste stap tot een systematische ontginning, om nauwkeurig na te gaan en in kaart te brengen, welk deel van den bodem wordt ingenomen door de formatie der kristallijne leien (huronische formatie), uit welke het goud voornamelijk schijnt afkomstig te zijn. Maar er werd niets in deze richting gedaan.

Intusschen bleek de goudrijkdom van Suriname meer en meer. De eerste uitvoer van goud had plaats in 1884 , en ondanks de primitieve wijze van ontginning, welke zich bepaalde tot eenvoudig wasschen, bedroeg de uitvoer tot heden niet minder dan ƒ 19,000,000.

Terwijl men in Nederland volhardde in de bestaande onverschilligheid ten opzichte van de Kolonie, begon Suriname de aandacht te trekken van het buitenlandsche kapitaal, dank zij de gunstige verslagen van mijnbouwkundigen, uitgezonden tot het instellen van een onderzoek. Een hunner, A. J. Mather, Practical Mine-Operator, gaf in het Amerikaansche tijdschrift The Engineering Magazine van 1893 eene uitvoerige beschrijving van de „Goudvelden van Nederlandsch- Guyana", zooals hij deze door eigen onderzoek en door de waarnemingen van anderen had leeren kennen. Volgens hem begint de goudhoudende rand ongeveer 75 mijlen van de zeekust, en loopt in N. O. en Z. W. richting, ter breedte van 75 tot 100 mijlen. Deze rand is nog niet voor de helft onderzocht, doch dat daarin een ontzaggelijke rijkdom van kostbare metalen verborgen is, wordt door geen deskundige, die den bodem met eigen oogen heeft gezien, betwijfeld. Volgens hem en anderen is Nederl. –Guyana bestemd om het rijkste goudveld ter wereld te worden en zijn de vooruitzichten, welke men van de placer - en de kwartsontginning mag verwachten, niet te hoog te stellen. Een goed spoorwegstelsel is evenwel onontbeerlijk om het verre binnenland te bereiken; die spoorweg zou behalve dat hij de mijnontginning ten goede kwam, ook het vervoer van de verschillende uitstekende timmer- en meubelhoutsoorten zeer vergemakkelijken, en de cultuur van allerlei producten bevorderen.

Maar, zoo voegt hij er bij, zonder „Amerikaansche push en kapitaal valt er op geen goeden uitslag te rekenen. Dit land verbeidt de aanraking van den tooverstaf door Amerikaanschen ondernemingsgeest gezwaaid, daar noch het Nederlandsche bestuur, noch het Nederlandsche kapitaal iets doen om het binnenland der Kolonie open te stellen en tot ontwikkeling te brengen."

Het zou weldra blijken dat deze woorden niet onopgemerkt waren gebleven. Eindelijk begon men ook in Nederland eenige aandacht te schenken aan Suriname. Reeds sedert geruimen tijd had de heer Mr. Lindaal Jacobs getracht invloedrijke personen te winnen voor een door hem ontworpen plan tot het instellen van een geologisch en landbouwkundig onderzoek van een deel van het binnenland, waarmede tevens samenging het plan tot aanleg van een spoor- of tramweg , uitgaande van een punt aan de Surinamerivier, loopende in Z. W. richting naar de onbekende landstreek gelegen tusschen de Suriname- en de Saramacca- rivieren , de andere in Z. O. richting naar het zg. Lawagebied, de streek gelegen tusschen de Lawa endeTapanahony. De kosten , voorloopig geraamd op ƒ 15,000,000, moesten bestreden worden uit eene leening, uitgegeven onder garantie van den Staat. Het mocht hem evenwel niet gelukken het vertrouwen der geldmannen voor zijne plannen te winnen, en waarschijnlijk zou de exploratie van een gedeelte van Suriname door Nederlanders nog lang tot de vrome wenschen hebben behoord, indien niet andere mannen zich tot dat doel aan het hoofd eener nieuwe onderneming hadden gesteld. Dit was het zg. Comité-de Gelder, bestaande uit de heeren J. A. de Gelder, oud-lid van den Raad van Nederl.-Indië , J. C. Jansen, oud Minister van Marine, C. Lely, oud-Minister van W., H. en N., en Mr. H. W. F. Struben, advocaat, waaraan later werd toegevoegd de heer L. D. J. L. de Ram, Lid van de Tweede Kamer der St.-G. , welk Comité later is overgegaan in de vennootschap „Maatschappij Suriname", gevestigd te 's Gravenhage.

De Maatschappij Suriname. Onder dagteekening van 25 Augustus 1896 werden door het Comité rekesten aangeboden aan den Minister van Koloniën en den Gouverneur van Suriname, waarbij zij vergunning vroegen tot l het instellen van een geologisch en landbouwkundig onderzoek van den bodem van Boven-Suriname, en wel in het bijzonder van de landstreek gelegen bezuiden Paramaribo en begrensd door de Marowijne- en Surinamerivieren , met de be- doeling om bij gunstige resultaten van dat onderzoek, concessie te verkrijgen:

a. voor den aanleg en de exploitatie van een tramweg van Paramaribo naar het Lawagebied;

b. tot ontginning van een terreinstrook diep 1000 meters aan weerszijden van den tramweg;

c. tot ontginning van een of meer terreinen, gezamenlijk ter grootte van 500,000 HA. in het onderzochte terrein.

Op den voorgrond werd gesteld dat de tramweg beschouwd moest worden als het middel tot ontginning der landstreek, doch niet als een directe bron van inkomsten; het vervoermiddel diende de exploitatie vooraf te gaan, als noodzakelijk om tot de krachtige ontwikkeling van het gewest te komen. Dat dus allereerst het in te stellen onderzoek zou moeten dienen tot de vaststelling van een voorloopig tracé van den tramweg, en in de tweede plaats tot het verzamelen van de noodige gegevens ter beoordeeling van de levensvatbaarheid van een boven- en benedengrondsche exploitatie van de onderzochte terreinen. Weliswaar bleef de aanleg van den tramweg afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek, daar de lijn, loopende deels door een schaars bevolkte, deels door een geheel onbewoonde streek, uit zichzelve geene levensvatbaarheid bezat, maar daarentegen zou, ook bij gunstig resultaat van het onderzoek, de ontginning dier terreinen niet op voldoende schaal kunnen geschieden, zoolang de tramweg niet gereed was.

In de Kolonie werd deze aanvrage met grooten bijval begroet. Wijl daaraan evenwel overeenkomstig de bestaande verordening niet kon worden voldaan, diende de Gou- verneur eene speciale verordening in, welke den 21 December 1896 door de Koloniale Staten werd goedgekeurd. Hierbij werd de Gouverneur gemachtigd om aan het Comité de gevraagde vergunning tot het instellen van een onderzoek te verleenen. In art. 4 werd bepaald dat gedurende den tijd waarvoor de vergunning verleend is, door den Gouverneur geene concessiën of vergunningen, van welken aard ook, worden uitgegeven of verleend , op eene strook land ter breedte van 1000 meters aan weerszijden van de as van den tramweg, zoodra de richting daarvan door de houders der vergunning zal zijn aangegeven.

In zijne toelichting wees de Gouverneur er met nadruk op, dat hoewel alleen het verzoek om vergunning tot onderzoek op dat oogenblik rijp was voor beslissing, er verband gelegd moest worden tusschen die vergunning en eventueel te verleenen concessiën. „Bij de moeilijkheid eener afdoende regeling , moest voor een deel wederzijdsch vertrouwen de grondslag van alles zijn/' „Formeele aan- spraak op de gevraagde concessiën wordt niet gegeven, maar wanneer, zooals te verwachten is, de aanvragers rekenen op goede trouw bij Regeering en Koloniaal Bestuur, dan zal de gekozen vorm zeker voldoende zijn om den grondslag der zaak te kunnen vormen."

Den 4en Januari 1897 volgde het besluit van den Gouverneur tot het verleenen der gevraagde vergunning, welke voor den tijd van vier jaren werd verleend, te rekenen van de dagteekening dezer beschikking, terwijl het onderzoek binnen een jaar moest zijn aangevangen, dus vóór den 4en Januari 1898.

Het was op dezen grondslag van wederzijdsch vertrouwen tusschen Koloniaal Bestuur en aanvragers , dat de Maatschappij Suriname tot stand kwam, en hoewel van den aanvang af door de oprichters er nadruk op gelegd werd, dat de toekomst der Maatschappij geheel afhankelijk was van de uitkomsten van het in te stellen onderzoek, ondervond zij ook het noodige vertrouwen van de zijde van het publiek. Hiertoe werkte ongetwijfeld niet weinig mede de steun welke zij mocht ondervinden van de zijde der Regeering, die op haar verzoek twee bekwame Ned. Indische ambtenaren ter beschikking der Maatsch. stelde, onder bepaling dat hun diensttijd niet wordt onderbroken door hunne werkzaamheid in West Indië. Dus gesteund, kostte het de Maatsch. geene groote moeite de noodige, uitstekende krachten aan hare onderneming te verbinden. Hoezeer bij die keuze tramwegaanleg op den voorgrond trad, blijkt wel uit de benoeming van den heer Grinwis Plaat tot leider der opnemings-expeditie, terwijl de salarissen voor de ingenieurs, speciaal daarvoor aangewezen, met inbegrip van dat van een landbouwkundige ƒ 34,800 bedragen , terwijl de technici met de mijnbouwkundige opsporingen belast, slechts / 11,800 ontvangen.

Het geheele personeel van ambtenaren — de mindere beambten enz. zouden te Paramaribo worden geëngageerd — scheepte zich in December jl. in, en gerust mag men zeggen, dat nimmer eene onderneming op degelijker wijze voorbereid en met meer kans op welslagen Nederland verliet. Nog voor den in de verordening bepaalden datum van 4 Januari 1898 kon met het onderzoek een aanvang worden gemaakt.

De aanvrage-Duncan c. s. Tot de vreemdelingen die, aangelokt door de schitterende beschrijvingen van den heer Mather e. a., Suriname bezochten, met het doel om bij gunstig bevinden deze Kolonie tot het terrein van hunne operatien te maken, behoorde ook de heer John Duncan, de type van den jongen, ondernemenden Amerikaan.

Na een verblijf in de Kolonie, waarbij hij zich door een bezoek aan de verschillende placers (goudontginningen) eenigszins op de hoogte had gesteld van de toestanden, verzocht hij van het Koloniaal Bestuur, namens een Amerikaansch syndicaat, gevormd door den heer Newhouse, een rijk en zeer bekend spoorwegman te Denver, V. S., de volgende concessieën:

a. Voor den aanleg van een spoorweg in de landstreek gelegen tusschen de Suriname- en de Saramaccarivieren, loopende in Z. W. richting, over eene lengte van ruim 150 engelsche mijlen;

b. afstand van 1 KM. grond aan weerszijden van den spoorweg;

c. schenking van 500.000 HA. land ter zijner keuze, vrij van eenige retributie, alles voor den tijd van 90 jaren.

Hij verplichtte zich om binnen 6 maanden na het verkrijgen der concessie met den aanleg van den spoorweg te beginnen, en deze binnen 5 jaren te voltooien.

Er behoeft wel niet uitdrukkelijk gewezen op de groote overeenkomst bestaande tusschen deze aanvrage en die van de Mij Suriname, ook wat de lijnen betreft, die beide in zuidelijke richting van Paramaribo uit, de landstreek tusschen de Suriname- en de Saramaccarivieren doorsnijden, met dit verschil, dat op een punt nabij de Surinamerivier gekomen, Bergendal genoemd, die der Mij Suriname in Z. O. richting loopt naar het Lawagebied, terwijl de heer Duncan zich voorstelt alsdan in Z. W. richting te gaan. De stamlijn van Paramaribo tot aan Bergendal, welke de thans geëxploiteerde goudvelden met de hoofdstad zal verbinden, is evenwel nagenoeg dezelfde.

Doch tevens behoeft het niet te verwonderen hoezeer ook deze aanvrage in de Kolonie met groote ingenomenheid begroet en voor de toekomst van Suriname van overwegend belang geacht werd. De exploitatie van goudvelden op groote schaal is onmogelijk, zonder het tot stand komen van betere en snellere verkeersmiddelen, daar de aanvoer van werktuigen en levensbehoeften langs de rivier tot aan Bergendal en van daar naar het binnenland, te kostbaar en dikwijls onmogelijk is. En nu woog vooral zwaar in het voordeel der concessie Duncan, dat de concessionaris beloofde dat de aanleg van de lijn binnen 6 maanden begonnen en binnen 5 jaren voltooid zoude zijn, terwijl de Mij Suriname op dat tijdstip haar onderzoek nog moest aanvangen en in elk geval eerst over pl. m. 2 jaren met den aanleg zou kunnen beginnen.

Hier tegenover stond dat het Koloniaal Bestuur tegenover de Mij. Suriname zoo niet formeel, dan toch moreel gebonden was, en de aanleg van een concurreerende lijn bezwaarlijk vereenigbaar scheen met de door de Mij. verkregen rechten. Op dezen grond toch had de Gouverneur kort tevoren geweigerd de concessie te verleenen voor den aanleg van een tramweg loopende in nagenoeg dezelfde richting, aangevraagd door den heer Duurvoort. De voordeden voor de Kolonie voortspruitende uit het spoedig tot stand komen van de lijn-Duncan wogen evenwel te zwaar, dan dat de Gouverneur de beslissing op die aanvrage meende te mogen aanhouden tot de Mij. Suriname haar spoorwegplan had voltooid, en toen de pogingen om overeenstemming te verkrijgen tusschen de Maatschappij en den heer Duncan, afstuitten op diens besliste verklaring, dat hij niet met anderen wilde samenwerken , meende de Gouverneur in het belang der Kolonie te handelen door het ontwerpen eener concept-verordening, waarbij „met eerbiediging in den ruimsten zin van de rechten en vooruitzichten aan de Mij Suriname gegeven", aan den heer Duncan de gevraagde concessie werd verleend.

Zooals bekend is en hiervoren werd opgemerkt, gaf de Minister van Koloniën telegrafisch last de afkondiging dezer verordening op te schorten.

De concessie-Barr Robertson. Bijna gelijktijdig met die van den heer Duncan werd nog eene derde aanvrage van grooten omvang gedaan, nl. door den heer J. Barr Robertson uit Londen.

Tot goed begrip van de geschiedenis dezer aanvrage diene, dat het recht van vergunning tot het doen van onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen, en dat van concessie tot exploitatie , worden beheerscht door eene Verordening, welke o. a. bepaalt dat geene vergunning tot onderzoek kan worden verleend in streken, waar alreeds gronden in concessie zijn uitgegeven; d. w. z. dat binnen een afstand van 30 KM. van eene bestaande exploitatie geen vergunning tot onderzoek kan worden verleend; daarentegen geeft de vergunning voorkeur op concessie in de onderzochte streken. De vergunning wordt kosteloos verleend, doch voor niet langer dan één jaar, en voor geene grootere uitgestrektheid dan 20,000 HA. Deze laatste bepaling wordt evenwel in de praktijk herhaal- delijk buiten werking gesteld door het aanvragen van vergunningen op verschillende namen. Het concessierecht duurt niet langer dan 40 jaren, en kost het 1ste en 2de jaar 10 ets. per H.A. , het 2de en 3de jaai 25 ets. en daarna 50 ets., alles bij vooruitbetaling.

Door den heer Barr Robertson nu werd vergunning aangevraagd voor 332,800 HA.; toen evenwel bleek dat een deel dier gronden gelegen was in streken waar reeds terreinen in concessie waren uitgegeven, wijzigde hij zijne aanvrage in dier voege , dat hij concessie vroeg voor 199,450 H.A., en daarvoor het concessierecht van ƒ 19,945 betaalde, ofschoon ook hier feitelijk alleen onderzoek werd beoogd. Voorts vroeg hij vergunning voor de rest, wat hem werd toegestaan.

Verschillende deskundigen werden nu door den heer R. naar het binnenland gezonden om de noodige onderzoekingen te doen, maar de uitkomst beantwoordde tot dusverre niet aan de verwachtingen. Daar de vergunning overeenkomstig de bestaande verordening, evenwel slechts voor één jaar kon worden verleend, stond de heer R. dus na verloop van dat jaar voor het feit, óf de vergunning te verliezen, waardoor de gemaakte kosten nutteloos werden, óf ook voor deze terreinen concessie aan te vragen, en het concessierecht van ƒ 35,000 te moeten voldoen.

De door hem opgerichte maatschappij The Dutch-Guiana concessions Limited, maakte daar- tegen bezwaar, temeer nog wijl gebleken was, dat deze terreinen, naar het heette nimmer onderzocht, bedekt waren met exploratie-gaten van vroegere onderzoekers, zonder dat het Bestuur daarmede bekend was. De heer R. stelde daarop aan het Koloniaal Bestuur voor hem de vergunning tot onderzoek van terreinen, te zamen groot 332,800 HA. voor vijf jaren te verleenen, tegen betaling van ƒ 2000 met uitzicht op concessie op de gewone voorwaarden.

Deze aanvrage was in strijd met de bestaande verordening; de Gouverneur oordeelde haar evenwel zoozeer in het belang der Kolonie, dat hij meende door eene speciale wijziging der verordening de gerezen bezwaren te moeten wegnemen, en de aanvrage toestaan. Verder werd met het oog op eventueele nieuwe aanvragen daarbij aan den Gouverneur de bevoegdheid verleend, in buitengewone gevallen, den Raad van Bestuur gehoord, op door hem te stellen voorwaarden, de vergunning te verleenen ook voor langeren tijd en voor grootere oppervlakte. Voorts achtte de Gouverneur, met het oog op de omstandigheid, dat het vergunningsrecht van den heer Robertson in Januari 1898 zou komen te vervallen, eene vervroegde afkondiging dezer speciale wijziging gewenscht.

Ook hierop volgde eene telegrafische lastgeving van den Minister om de afkondiging op te schorten. Het standpunt van den Minister. Om het standpuut door den Minister ingenomen te waardeeren, was eene eenigszins uitvoerige schets van hetgeen voorafging noodig; immers na hetgeen is medegedeeld, wordt de houding door den Minister aangenomen tegenover de spoorweg-concessie-Duncan alleszins begrijpelijk: goede trouw en staatsbelang brachten mede geene spoorwegconcessie aan anderen af te staan in dezelfde streek, zonder toestemming der Mij Suriname, of voor dat gebleken was, dat deze daarvan had afgezien.

De aanleg en de exploitatie van den tramweg maakte niet alleen een integreerend deel uit van de aanvrage der Mij, zij wafe daarbij in die mate hoofdzaak, dat de Gouverneur zelf aan de Koloniale Staten verklaarde, „dat van een zelfstandig bestaan der andere concessiën (de afstand van grond met recht tot ontginning) daarnevens geen sprake kan zijn, zoodat dan ook deze noodzakelijk moeten vervallen, wanneer de tramweg niet overeenkomstig de bestaande voorwaarden van de eventueel te verleenen concessie wordt aangelegd."

De verkregen vergunning tot onderzoek eischt dus in de eerste plaats om het tracé van den tramweg te bepalen; zoolang die richting niet definitief is vastgesteld, mist het Koloniaal Bestuur de bevoegdheid concessie voor datzelfde doel te verleenen aan anderen in dezelfde streek, als zijnde in strijd met de aan de Mij. verleende rechten.

De bewering dat de lijn-Duncan, als loopende op grooten afstand van den tramweg en dan nog slechts tot Bergendal in dezelfde richting, geen concurrentie zou veroorzaken, is geheel onjuist. Ten eerste is het tracé van den tramweg nog niet vastgesteld, en kan elke richting door anderen gekozen, ook die zijn der Mij. Doch bovendien wordt algemeen gehuldigd het beginsel, dat een spoor- of tramweg een monopolie schept, en als zoodanig moet beschikken over een zone welke als de bron zijner inkomsten beschouwd wordt. Hoe schaarscher bevolkt, hoe grooter die zone moet zijn, en dat dit het geval is met de landstreek bezuiden Paramaribo wordt overtuigend aangetoond in de afwijzende beschikking van den Gouverneur op de aanvrage Duurvoort, waar hij er op wijst dat de aanleg van een tweede tramweg uit dien hoofde reeds behoort te worden afgewezen. De afstand tusschen beide rivieren bedraagt ongeveer 40 KM., de bevolking in die landstreek plm. 4000 en nu gaat het niet aan in een zoo weinig bevolkte streek twee spoorwegen naast elkander te leggen. Het tracé Duncan is over de eerste 50 KM. op den grootsten afstand hoogstens 2 k 3 uren gaans verwijderd van het voorloopig tracé der Mij en valt dus wel degelijk binnen de zone van die lijn.

Doch ook het Staatsbelang verzet zich tegen het verleenen der concessie-Duncan. De lijn Paramaribo— Bergendal is een stamlijn, welke in de toekomst den spoorwegbouw in Suriname beheerscht; nagenoeg alle lijnen welke eventueel in het binnenland worden aangelegd, zullen vertakkingen zijn van deze stamlijn. Voor de Regeering is er dus alles aan gelegen, dat deze lijn wordt aangelegd op eene wijze, zoo dat zij aan alle technische vereischten voldoet en bij de vaststelling van de constructie van den bovenbouw in de toekomst tot model kunne dienen. Slechts de Mij. Suriname, met haar staf van Ned.-Ind. ingenieurs, kan der Regeering de noodige waarborgen en de technische gegevens verschaffen, welke zij voor de toekomst behoeft. Werd met de lijn-Duncan, overeenkomstig diens belofte, binnen zes maanden begonnen, dan zou deze in de toekomst den geheelen spoorwegbouw in Suriname, zoo wat spoorwijdte, het gewicht der rails, het vrije profiel, de veroorloofde snelheid enz. beheerschen; doch niet dit alleen, er zou door deze lijn een monopolie worden in het leven geroepen, daar de Mij. Suriname, voor wie de tramlijn naar het Lawagebied slechts een lastpost kan blijven, wanneer haar de voordeelen worden ontnomen, welke van het gedeelte Paramaribo— Bergendal mogen worden verwacht , — het eenige gedeelte dat kans oplevert loonend te zullen zijn, — van den aanleg zal moeten afzien.

Bovendien bestaan er gronden van politieken aard welke het verleenen van concessie voor deze tramlijn, welke tot een monopolie zoude worden, aan een vreemdeling minder raadzaam doen zijn. Welke deze gronden zijn, zal uit het volgende blijken. Het aangevoerde zal intusschen voldoende zijn aan te toonen, dat de Minister met beleid handelde door maatregelen te nemen om de rechten der Mij. Suriname te handhaven. De gelegenheid staat voor den heer Duncan open om, afwijkende van zijne verklaring dat hij niet met anderen wil samenwerken, in overleg te treden met de Mij., en als uitgangspunt voor zijn lijn te kiezen Bergendal, met recht van running-power op de lijn Bergendal — Paramaribo. Doch alvorens dergelijke concessie te verleenen zal het noodig zijn voor Suriname algemeene regelen vast te stellen voor den aanleg en de exploitatie van spoor- en tramwegen, overeenkomstig de daaromtrent heerschende voorschriften in Nederl. -Indië. Daardoor alleen kunnen moeilijkheden in de toekomst worden voorkomen.

Een ander bezwaar betreft de uitgifte van dergelijke uitgestrekte terreinen aan personen of maatschappijen; lste wijl volgens de verordening de vergunning tot het instellen van onderzoek tevens het recht in zich sluit op voorkeur om eene concessie tot ontginning te verkrijgen. Het gevolg is dat uitgestrekte terreinen — in dit geval niet minder dan 1,400,000 H.A. — voor geruimen tijd worden vastgelegd; 2de wijl daardoor een macht in de Kolonie wordt in het leven geroepen, welke te eeniger tijd een bron van groote moeilijkheden zou kunnen worden.

Dit bezwaar geldt gelijkelijk voor alle drie aanvragers, maar het klimt in beteekenis, waar dergelijke uitgestrekte gewesten worden afgestaan aan vreemde vennootschappen, wier zetel buiten de Kolonie is gevestigd.

De oppervlakte der terreinen door den heer Duncan aangevraagd, bedraagt meer dan die der provinciën Noord- en Zuid-Holland te zamen; de omvang der concessie-Barr Robertson overtreft dien der provincie Overijssel, is meer dan Zeeland en Utrecht te zamen. Men denke zich een gebied grooter dan 4 onzer provinciën in handen van twee buitenlandsche maatschappijen , en dat in eene kolonie met slechts ruim 60,000 inwoners, terwijl eene dier maatschappijen bovendien het spoorwegverkeer in de kolonie beheerscht. Het ware den weg openen tot allerlei verwikkelingen en tot inmenging van vreemden in het bestuur der kolonie.

De heer Duncan is Amerikaan; de vennootschap waarvoor hij optreedt, of aan wie hij zijne rechten zal overdragen is evenals de bestuurders, zuiver Amerikaansch, voorts wil hij den zetel buiten de kolonie vestigen. Wie nu let op de beteekenis in den laatsten tijd aan de Monroe-leer gegeven; aan een Amerikaanse houding tegenover de Sandwichs-eilanden, waar eenige Amerikaansche suikerplanters de voorloopers waren der annexatie; aan hetgeen ten opzichte van Cuba is voorgevallen, die zal moeten toegeven dat het verleenen van zoo overheerschenden invloed op de zaken der kolonie in de toekomst hoogst bedenkelijk kan zijn. De heer Barr Robertson is Engelschman en de zetel der Dutch-Guiana Concessions Limited te Londen gevestigd. Is het gevaar dat van die zijde dreigt minder groot? Men denke aan Engelands optreden tegenover Venezuela, bovenal aan Jameson's raid en de daarbij aangenomen houding van Engeland. Wie dit alles overweegt en bovendien hoe gemakkelijk het vallen moet op dergelijke uitgestrekte terreinen moeilijkheden te provoceeren, zal het gevaar voor vreemde inmenging niet ligt tellen.

Ten opzichte van de concessie-Barr Robertson geldt bovendien het bezwaar, dat de Gouverneur daarbij eene speciale wijziging der verordening voorstelde, waarbij de bevoegdheid werd verleend van wettelijke bepalingen af te wijken, waardoor in de toekomst de deur zou kunnen worden geopend voor allerlei willekeur, terwijl eene algemeene wijziging der goudverordening in vele der gerezen en in andere bezwaren zou kunnen voorzien.

Zoo behoort te vervallen het verbod van onderzoek in streken waar reeds concessiën bestaan. Zooals de bepaling thans luidt kan de houder eener kleine concessie van bv. 600 HA. andere onderzoekers op 30 KM. afstand van zich verwijderd houden, maar zelf intusschen, zonder vergunning, het geheele omliggende terrein van 360000 HA. onderzoeken.

Bovendien is deze noodig om het instellen van een onderzoek naar en de ontginning van delfstoffen in de kolonie meer in overeenstemming te brengen met de voorschriften te dien opzichte in Nederl.-Indië bestaande of nog te stellen. Allereerst behoort als eisch te worden gesteld dat geene concessies en landuitgiften kunnen geschieden dan aan Nederlanders en aan ingezetenen van Nederland en Suriname, dan wel aan vennootschappen in Nederland of Suriname gevestigd, met de bepaling dat de concessionaris in elk geval in de kolonie behoort te zijn vertegenwoordigd.

Men heeft als argument voor het verleenen der spoorwegconcessie aan den heer. Duncan vooral nadruk gelegd op diens belofte binnen zes maanden met den aanleg te zullen beginnen. Gesteld dat het hiermede ernst is, en dit beginnen zich niet bepaalt tot het plaatsen van een of andere loods, of andere schijn- werkzaamheid, zoo mag toch worden betwijfeld of hierin een grond kan worden gevonden, om de verkregen rechten der M.ij Suriname te krenken. Op dien grond toch zou men aan iederen nieuwen aanvrager, die belooft nog spoediger met den aanleg te beginnen, of een lijn nog spoediger te voltooien, eveneens concessie moeten verleenen.

Het komt ons voor dat het standpunt door den Minister ingenomen, het juiste is, door de omstandigheden geboden, en gerechtvaardigd door het welbegrepen belang der Kolonie.

Het belang der Kolonie. Er wordt, en terecht, groote waarde gehecht aan de ontginning der natuurlijke rijkdommen van een land, welke in den bodem verborgen zijn. Doch de voordeelen welke daaruit voor een land voortvloeien, mogen niet blind maken voor de keerzijde der medaille , nl. deze, dat men het kapitaal uitput. Zal mijnbouw niet roofbouw zijn, die ten slotte het land arm achterlaat , dan dient er voor gezorgd, dat de voordeelen daaruit verkregen niet enkel strekken om de zakken van meestal vreemde aandeelhouders en geldschieters te vullen, dat niet enkelen zich verrijken, maar dat het algemeen belang daardoor worde bevorderd, en het land zijn billijk aandeel geniet van die voordeelen. 

Suriname, goud wassen 1925 (Tropenmuseum Amsterdam)
Een sterk sprekend voorbeeld levert de phosphaat-ontginning op Klein-Curaçao en Aruba, behoorende tot de Nederlandsche bezittingen in West-Indië. De gelukkige ontdekker dezer phosphaat-beddingen, de Engelschman John Godden, verdiende eenige millioenen met de exploitatie, terwijl de Kolonie daarvan niet zoovele tonnen gouds genoot. Zoolang de ontginning voortduurde was de Kolonie in staat uitgaven en inkomsten in evenwicht te houden; doch nauwelijks droogt de bron dier buitengewone inkomsten op, of de Kolonie is weer even arm als voorheen — armer zelfs , daar de uitgaven gedurende de vette jaren aanmerkelijk zijn gestegen — en zonder phosphaat. Het directe voordeel door Suriname te trekken uit de ontginning van delfstoffen door Barr Robertson — die door Duncan c. s. kan geen direct voordeel opleveren, daar de schenking van land zou geschieden vrij van eenige retributie — bestond uit de concessiegelden , be- dragende voor ruim 300,000 HA. de eerste jaren ruim ƒ30,000, daarna ruim ƒ 80,000 en verder ƒ 160,000, en voorts uit het goudrecht, ten bedrage van 7 ets. per gram. Zoo betaalt cene goud concessie groot 5000 HA., welker jaarlijksche winst geraamd wordt op ƒ 1,600,000, aan concessierecht ƒ2,500, plus het goudrecht; dit is het eenige directe voordeel hetwelk de Kolonie van deze ontginning geniet. Het indirecte voordeel bestaat uit de stijging van de opbrengst der invoerrechten, — althans zoo lang men niet gedwongen wordt deze te verlagen of af te schaffen, adres Johannesburg ! — en uit eenig meerder vertier. Voor Suriname, dat allereerst behoefte heeft aan eigen middelen, zijn deze voordeelen niet gering, maar wegen zij op tegen eene overhaaste uitputting van de minerale rijkdommen van het land door vreemde geldschieters ? Wij zouden meenen dit te moeten betwijfelen.

Bevat Suriname's bodem schatten, — en daaraan valt niet te twijfelen, — dan behoort de exploitatie derwijze te geschieden , dat ook de kolonie daarvan billijke vruchten trekt, en het niet ga zooals thans het geval is, dat de kolonie in 20 jaren f 19,000,000 aan goudwaarde armer wordt, en daarvan hoogstens één millioen profiteert.

Dit kan op tweeërlei wijze geschieden: de staat. d. i. in dezen de kolonie, kan een billijk aandeel genieten in de door particulieren te behalen winsten uit ontginningen, of wel hij kan zelf tot exploitatie besluiten en daarmede het wegvloeien der winsten voorkomen. Aan uitsluitend eigen exploitatie kan, bij de uitgestrektheid van Suriname, wel nimmer worden gedacht, doch wel zou deze kunnen samengaan met, en zelfs bevorderen de exploitatie door particulieren. De bezwaren gemeenlijk tegen Staatsexploitatie ingebracht, worden voldoende weerlegd door die der Staatssporen, en waarom zou de Staat, die wèl de tinmijnen van Banka en de steenkolen van Ombiliën in eigen beheer weet te exploiteeren , niet ook in Suriname met voordeel goud kunnen ontginnen?

Dit zou zijn te handelen in het tweeledig belang der Kolonie; allereerst wijl de voordeelen geheel ten goede zouden komen aan de Koloniale Kas, en deze versterking van eigen middelen de voorziening in tal van behoeften mogelijk zou maken zonder evenredige verzwaring van druk, maar mede wijl daardoor de particuliere industrie krachtig zou worden bevorderd. Eigen exploitatie toch veronderstelt voorafgaand onderzoek, en wat dat onder- zoek van Staatswege beteekent, leert ons het standaard-werk van de Ned.-Ind. Ingenieurs Verbeek en Fennema - de laatste helaas slachtoffer geworden van zijn plicht. Hoe hooge waarde men ook moge hechten aan het wetenschappelijk zoowel als practisch onderzoek door de Mij. Suriname in te stellen, deze nasporingen bepalen zich slechts tot een deel , dat hoe uitgestrekt ook, toch slechts een gering gedeelte uitmaakt van het onbekende gebied. Het onderzoek door aanvragers als de heeren Duncan en Barr Robertson in te stellen, uitsluitend van practischen aard, brengt de wetenschappelijke kennis der Kolonie niet verder. Daarentegen zou de Staat, eenmaal zijn onderzoek aangevangen en daarvoor beschikkende over het noodige deskundige personeel, daarmede gelijdelijk moeten voortgaan, en de vruchten van dat onderzoek, de daardoor verkregen gegevens, zouden weder ten goede komen aan particuliere exploitanten. Op deze wijze zou Nederland eindelijk de groote schuld kunnen afdoen, welke het tegenover Suriname heeft aangegaan, de schuld der verwaarloozing, gedurende een lange reeks van jaren, van dat rijke, toch arme land, hetwelk van het Moederland iets anders, meer vraagt dan subsidie als bedeelde; dat thans dankbaar de hand aanvaart, welke hem wordt toegereikt om het op te heffen uit den tegenwoordigen toestand van verval, ook al is het de hand van een vreemdeling, met zelfzuchtige bedoelingen toegestoken.

Conclusie. In stede van de besluiten des Ministers te betreuren, meenen wij dat er alle reden is om te waardeeren de bezadigdheid en het beleid waarmede hij heeft voorkomen, dat aan het geloof aan den goeden trouw van het Gouvernement een gevoeligen knak werd gegeven; voorkomen voorts dat de hulpbronnen van Suriname overhaast, ten bate van vreemden, worden uitgeput.

Ten onrechte evenwel zou men uit de door Z. E. aangenomen houding afleiden dat hij vreemdelingen zou willen uitsluiten. Men vergeet daarbij dat de heer Barr Robert- son beschikt over eene concessie van niet minder dan 199,945 H. A. — meer dan geheel Zeeland of Utrecht — welke hem niet kan worden ontnomen zoolang hij de voorwaarden der concessie nakomt, een terrein groot genoeg voor de werkzaamheid ook van een machtige onderneming. Vreemden te willen uitsluiten ware even onmogelijk als onverdedigbaar. Maar wel mogen wij aannemen dat, nu de omstandigheden den Minister hebben gedwongen in te grijpen, hij deze gelegenheid zal benuttigen om bij het verleenen van concessies en het uitgeven van groote uitgestrektheden grond aan vreemden, die waarborgen te stellen welke door het algemeen belang worden geboden.’

Het goudwinningsproces

Goudwinning werd tot de invoering van de mechanisatie, in 1896, met de hand gedaan. De goudzoekers maakten met pikhouwelen de grond, vooral kwartsgrind, los. De grond werd vervolgens in een houten trog geschept waarna die met schoppen fijn werd gemaakt. Vermengd met water bleef goud achter in de modderlaag, dat via een ijzeren plaat in een bak van hout met kwikzilver werd opgevangen waarna het werd gewassen in een lange, platte houten bak, de zogenoemde ‘long tom’. Op de bodem van deze bak was kwik gedaan dat zich met het stofgoud verbond. Een goudzoeker kon dagelijks met zo’n ‘long tom’ – die alleen werd gebruikt in gebieden met grove aarde en weinig water - rond een halve kubieke meter grond verwerken. In het boekwerkje ‘Het Rijksdeel Suriname’ (1952) beschrijft auteur mr. J.C. Brons – oud-gouverneur van Suriname – hoe tegen het einde van de 19e eeuw goud werd gevonden en gewonnen: ‘(...) Aanvankelijk waren de bedrijven van kleine omvang, waarbij de werkzaamheden in handenarbeid geschiedden. De daarbij gevolgde werkwijze (...) was de volgende: het goudgehalte van de meestal onder een bovenlaag van klei ter dikte van ca I m aanwezige grindlaag (gravel), in de nabijheid van een kreek, wordt eerst onderzocht door het wassen van een hoeveelheid van de van grotere stukken ontdane gravel in een ronde metalen schaal (batee), waarvan de bodem een puntige inzinking vertoont. Door de batee met de hand een ronddraaiende beweging te geven wordt het water met de lichtere delen van de vaste stof over de rand geslingerd, waarna tenslotte een kleine hoeveelheid vaste stof overblijft, waarin zich – indien aanwezig – ook de zwaardere gouddeeltjes moeten bevinden. De grotere stukjes goud (pepieten) zijn dan veelal aanstonds zichtbaar, het overige risidu wordt met kwik vermengd, waaruit door verdamping het goud later wordt afgescheiden. Nadat door voortgezette proeven met de batee de aanwezigheid van goud in voldoende hoeveelheid gebleken is, wordt dezelfde werkwijze in het groot toegepast, waarna er plaatse een houten vergaarbak (long tom) of een lange houten goot (sluice) gebouwd wordt. De uitgegraven gravel wordt daarin gestort, waarna daaruit de grote vaste stukken verwijderd worden, terwijl door kneding met de hand de kleinere stukjes uit de klei worden losgemaakt. Vervolgens worden door waterspoeling het zand en de losse klei verwijderd, waarna het zwaardere residu over een kwiklaag wordt geleid, waaruit de gouddeeltjes later worden afgescheiden. In betrekkelijk zeldzame gevallen worden bij het uitgraven van de gravel grotere goudklompen (nuggets) ontdekt, waarbij soms belangrijke goudvondsten zijn voorgekomen. Op deze wijze werd in 1896 op een terrein ten zuiden van Brokopondo een hoeveelheid gedegen goud van 5876 gram gewonnen, terwijl in 1932 op het placer ‘De Jong’ een pocket van meer dan 40 kg goud in grotere en kleinere stukken werd aangetroffen, doch dergelijke belangrijke vondsten zijn tot de uitzonderingen te rekenen. (...)’

Met de introductie van onder andere stoomaangedreven pompen, ‘bucketline dredges’ en crushers deed de mechanisatie van de goudwinningssector zijn intrede. - ‘Bucketline dredges’ waren eigenlijk een soort baggerpontons, emmerbaggermolens, waarop een grote grijparm was bevestigd. ‘Bucketline’ baggeren vond haar oorsprong rond 1882 in Nieuw-Zeeland. In het begin van de 20e eeuw werd het een essentieel onderdeel van de kleinschalige goudwinning in de wereld en dus ook in Suriname. De grijper op de ponton kon dagelijks tienduizend kubieke meter grond uitgraven. De grijpbak had een capaciteit van zestien kubieke meter. – De mechanisatiekoorts trok vele naamloze vennootschappenuit Nederland, Amerika en Engeland aan. Eén van deze vennootschappen, de Amerikaanse ‘Marowijne Company’ gevestigd in Philadelphia, begon haar activiteiten in 1898 en liet zelfs een spoorlijn aanleggen langs de Araguayakreek bij de Marowijnerivier. Het bedrijf had zowaar een zeventig ton zware locomotief over het spoor rijden. Maar, al in 1903 beëindigde de ‘Marowijne Company’ haar werkzaamheden. De zware locomotief bleef werkloos achter. Overigens was 1901 het meest succesvolle jaar van de mechanische goudwinning. De totale goudproductie bedroeg dat jaar 842 kilo.

In het boek ‘Paramaribo – Stad van tegenstellingen’ (2007) van Cynthia Mc Leod en Hennah Draaibaar omschrijft Mc Leod kort hoe kleinschalige goudzoekers aan het einde van de 19e eeuw vanuit het binnenland naar de stad kwamen om hun goud te verkopen. ‘(...) Op het eind van de 19e eeuw werd er behoorlijk wat goud gevonden in Suriname. Alle goudwinners waren verplicht om goud te verkopen aan de Surinaamsche Bank. Er waren goudbedrijven, maar er waren ook kleine porknokkers (goudzoekers) die hun geluk beproefden op een primitieve manier. Ook zij moesten het goud aan de Surinaamsche Bank verkopen. Na weken of maanden in het bos gezwoegd te hebben, kwam meneer porknokker naar de stad met het goud in de zakken van zijn versleten vuile broek, misschien was het goud gewikkeld in een grote zakdoek of als er een grotere hoeveelheid was, kon het gewikkeld zijn in een oude blomzak, die over de schouder geslingerd was. Soms was het goud nog helemaal vuil met aarde en/of zand en moest het eerst schoongewassen worden. Dat gebeurde dan achter in de tuin; (...) Iedereen moest zijn beurt afwachten en dat wachten kon lang duren. Wie geen verblijfplaats had, kon in de tuin bivakkeren. Kortom, er waren weinig plichtplegingen bij de inlevering van het goud, dat in mooie vormen werd gesmolten en in de kelder van de bank bewaard werd tot het op gezette tijden naar New York werd verscheept.
(...)’ 

De Lawaspoorlijn

Lawaspoorlijn Saramaccastraat Paramaribo
Om de ontwikkeling van de goudsector in het zuidoosten van het land te stimuleren en beter toegankelijk te maken, werd in september 1903 begonnen met de aanleg van een spoorlijn van Paramaribo naar het Lawagebied. Het spoor liep via Republiek naar Kwakoegron aan de Saramaccarivier, een afstand van ongeveer tachtig kilometer. Dat traject was klaar in 1906. Bij het stationnetje van Kwakoegron kwam een zogenoemd visitatiekantoortje waar goudzoekers het door hun gevonden goud voor de belasting moesten laten zien. Maar, Kwakoegron was niet de eindhalte van de spoorlijn. Het spoor werd verder naar het zuidoosten, naar de Surinamerivier, aangelegd. Om de rivier over te komen werd geen kostbare brug aangelegd, maar een kabelbaan (gereed in 1909). Het station kreeg de toepasselijke naam Kabel. Met een gondelcabine konden reizigers met hun bagage over de rivier en daar liep het spoor verder tot Dam aan de Sarakreek. Het spoortraject van Kabel naar Dam kwam gereed in 1912 en dat maakte dat het complete traject honderdrieënzeventig kilometer lang was. Er was al in 1907 besloten de spoorlijn niet naar de Lawarivier door te trekken: mijningenieurs hadden gerapporteerd dat het gebied daar niet veel goud zou bevatten. Het traject Kabel-Dam werd in 1936 opgeheven. Door de bouw van de stuwdam te Afobaka in de jaren zestig van de 20e eeuw verdwenen Kabel en een deel van de spoorlijn grotendeels onder water. Het deel van de spoorlijn van Onverwacht naar Brownsweg, vijfentachtig kilometer, bleef in gebruik tot 1986. Al met al kon achteraf geconstateerd worden dat de gehele spoorlijn geen succes was geweest.

Begin 20e eeuw zakt goudsector in

De mechanisatie van de kleinschalige goudwinning bleek ondertussen op een mislukking uit te zijn gelopen. Vele bedrijven staakten hun activiteiten in het binnenland. Niet al het personeel bleek voldoende weerstand te hebben tegen onder andere malaria. Maar, er bleken ook veel te grote, te dure en niet geschikte machines te zijn geïmporteerd. Klei bleek aan de emmers van de baggermolens vast te blijven plakken. Machinale wasinstallaties hadden de grootste moeite om de klei los te krijgen. Ook werden machines geplaatst in gebieden die in de grote regentijd volledig onder water kwamen te staan. Er was een groot gebrek aan kennis over het Surinaamse binnenland. Eén van de bedrijven die haar activiteiten binnen korte tijd beëindigde was de in 1899 te Amsterdam opgerichtte ‘Maatschappij tot Exploitatie der Vereenigde Goudplacers Gros.’. Het bedrijf beschikte over een aandelenkapitaal van f 2.250.000. Ze nam een concessie over voor een bedrag van maar liefst f 1.350.000. Op de goudwinlocatie kwamen een zogenoemde kwartsbreker met een 60-tons capaciteit per dag, een stoompomp en een stoombaggermolen. Maar, door ziekte of ongeschiktheid werd constant leidinggevend personeel ontslagen. Het ging bergafwaarts met de onderneming. Winst kon alleen in 1903 worden gemaakt. Aandeelhouders verloren bijna al hun geïvesteerde kapitaal. Maar, kleinschaIige goudzoekers ofwel porknokkers gingen door met de winning en dat leidde in 1908 tot een goudproduktie van 1.209 kilogram. Aan of in de nabijheid van de Boven-Surinamerivier werd 591.538 gram gevonden, van de Saramaccarivier 196.886 gram, van de Marowijnerivier 172.951 gram en van de Lawarivier 248.395 gram, totaal 1209780 gram goud. Deze hoeveelheid goud vertegenwoordigde een waarde van f 1.657.400,38 (f 1,37 per gram). In 1908 werd in totaal 1.221.913 gram goud uitgevoerd, maar er werd ook 208.647 gram uit Frans-Guyana ingevoerd.

Na 1908 daalde de productie aanzienlijk door met name een gebrek aan managementexpertise, een ineffectieve exploitatie, wijdverspreidde illegaliteit, spanningen tussen goudzoekers en concessiehouders en het bevriezen van de goudprijs op de wereldmarkt. Volgens het Algemeen Handelsblad van 10 oktober 1925 werd in de eerste zeven maanden van dat jaar 167.290 gram goud in Paramaribo aangevoerd. In 1924 bedroeg de productie de eerste zeven maanden 176.119 gram.

In 1928 bereikte het trieste verhaal van de Engelse goudzoeker Ebenhaser Thom het Nederlandse nieuws. Kranten brachten het nieuws met koppen als ‘De eenzame gouddelver. Drama uit de Surinaamse binnenlanden’, zoals de Limburger Koerier van 28 februari 1928:

‘Reeds sedert geruimen tijd vertoefde in het ge-bied van de Sarakreek, een Engelschman die in zijn eentje goud dolf. Hij woonde alleen in een klein kampje, doch van tijd tot tijd zag men hem aan de spoorbaan, als hij voedsel van den trein haaide. Sedert midden November ongeveer zag men hem niet meer. Omstreeks (..) November was hij aan de spoorbaan en verzocht een boschneger om hem te helpen een vrachtje naar binnen te brengen. Hij zeide toen, dat hij een slag had gehad van een stuk hout en dit hem pijn veroorzaak op de borst. Na zijn afscheid van dezen boschneger, werd hij later nog eens gezien door een ande-ren boschneger, en toen niet meer. De kapitein van de boschnegers aan de Sara-kreek vond het tenslotte wenschelijk om een verkenning te laten doen. Hij draalde echter op boschnegerwijze doch op een gegeven oogenblik verscheen de boschopzichter Junker ter plaatse, die last gaf om onmiddellijk «en onderzoek in te stellen naar den eenzamen gouddelver en vonden daar zijn lijk, ligende vlak voor de hangmat. Het scheen dat hij reeds weken te voren overleden was. Nadat men de weinige bezittingen van den overledene had ingepakt, werden de vier wanden van het kamp omver getrokken en het stoffelijk overschot gewikkeld in de hangmat, begraven op de plek waar het kamp had gestaan. De naam van den overledene is Ebenhaser Thom.’

De Nederlandse katholieke krant De Tijd berichtte op 20 november 1930 over een grote klomp goud die was gevonden aan de Boven-Saramaccarivier in Suriname:

‘De vinder sprakeloos van verrassing. In het kort is reeds de vondst van een zeer grooten goudklomp in Suriname vermeld. De West schrijft naar aanleiding hiervan het volgende: De gonddelver Baston zou met zijn compagnon een plek ontginnen aan de Boven- Saramacca. Hierbij werden eenige steenen verplaatst, die blijkbaar reeds het vorig jaar achteloos ter zijde waren geworpen. Een der steenen viel door zijn zwaarte op. Baston gaf er een slag op met zijn houweel en wist niet wat hij zag, toen zich daar een weelde van goud vertoonde. Hij was niet in staat zijn makker te roepen. Om zijn aandacht te trekken, wierp hij een steentje naar hem. En toen de ander opkeek, wenkte hij hem en wees hem in den gebroken steen een ongewoon grooten klomp goud aan. Deze zeldzame vondst bleek een gewicht te hebben van 7.630 gram. Ds onderhuurders krijgen een bedrag van waarde 9156, terwijl de meer ten goede komt van den concessionaris, de Comptoirs Hesse & Co. Voor zoover De West kan nagaan is dit op een na de grootste goudklomp die tot dusver in Suriname werd gevonden. De grootste was die, welke in 1892 op het placer L- en F. de Jong werd ontdekt en die 14 kilo goud bevatte.’

De heer J. Grader, districtscommissaris (bestuursambtenaar) van Saramacca, zei begin december 1930, naar aanleiding van de vondst van de goudklomp, in gesprek met de Surinaamse krant De West, dat met de berichtgeving over die vondst onrecht zou zijn gedaan aan ‘die beide hardwerkende, ondernemende mannen George Brotherson en Samuel Barton, die na jarenlang zwoegen en ten koste van de grootste ontberingen, eindelijk hun moeiten eens beloond zien en een hoeveelheid goud vinden, die hun tezamen een kleine tienduizend gulden zal opbrengen.’ Dat was te lezen in de Tilburgsche Courant van 8 december 1930 (‘De goudvondst in Suriname’) en ook het onderstaande:

‘(...) Want nu de praktijk: Ver aan den bovenloop van de Saramacca, nog boven den grooten Mamadamval, dus dagen ver met koorjaal de rivier op, ligt het goudplacer Moetoetoe, op het oogenblik in concessie bij de N. V. Comptoirs Hesse & Cic gevestigd te Paramaribo. De firma Hesse & Cic doet zelve niet aan ontginning, maar geeft aan bepaalde gouddelvers van beroep vergunning, zoogenaamd in onderhuur, om goud op het ooncessieterrein te gaan zoeken. Deze gouddelvers doen dit geheel op eigen risico, zij krijgen alleen een bepaald bedrag, namelijk 1.20 per gram schoon goud en zijn verplicht het door hen op de concessie gevonden goud aan den concessionaris af te geven. Nu zijn de meeste goudvelden, vooral in vroegere jaren, al zeer grondig en ter dege onderzocht en er werd al heel wat goud uitgehaald, zoodat het goud er op het oogenblik maar niet voor het grijpen ligt. Dat ondervinden de goudzoekers dan ook maar al te goed en zij vinden met hard werken en ten koste van groote ontberingen, in den regel nog maar net zooveel goud, dat zij daarmede maar net even aan den kost kunnen komen. Op het oogenblik werken er op het goudplaoer Moetoetoe ongeveer een tiental gouddelvers, Creolen, meestal in ploegen van twee man, die elkaar met het werk helpen. Ze werken nu op ongeveer tien kilometer afstand van de rivier, midden in een heuvelachtig boschterrein. Daar vóór de goudontginning in de eerste plaats water noodig is, en het nu al maanden lang in Boven-Saramacca volkomen droog is geweest, hebben de gouddelvers daar midden in het bosch een soort waterreservoir moeten maken, door een heel klein waterstroompje ergens bovenstrooms af te dammen, om het zoo verzamelde water langs een eenvoudige leiding te brengen waar zij het noodig hebben Het heuvelterrein, waar zij nu werken, bestaat, in hoofdzaak uit reusachtige keien. Men. kan zich elders bijna geen voorstelling maken van de grootte van die keien, die meer dan manslengte hoog en breed en omwoekerd door wortels en planten, onwrikbaar op den bodem liggen. En onder die keien ligt het goud, ten minste daar hebben Brotherson en Barton hun goudvondst gedaan. Toen ik, gaat de heer Grader voort, Zondag 26 October daar ter plaatse zag, wat die beide mannen voor een reusachtigen arbeid hebben verricht om het goud onder die steenen weg te halen, heb ik mijn hoed voor ze afgenomen en hun mijn welgemeende bewondering te kennen gegeven voor het werk dat daar door hen was verricht. Want vóórdat zij bij dezen laatsten geluksteen kwamen, waren er reeds tallooze van dergelijke reusachtige keien onderzocht evenals de grond daaronder. Men begint voor dit onderzoek den grond onder de kei uit te graven. De steen zelf moet daarvoor op een of andere wijze gestut worden, maar deze is duizenden kilo's zwaar, en wat voor werktuigen hebben de gouddelvers daarvoor beschikbaa! Toch lappen ze het hem, en als dan de goudhoudende grond onder den steen zooveel mogelijk is weggehaald, goed uitgewasschen en onderzocht, hebben ze misschien wel een paar gram goud gevonden, na dagen en dagenlang hard werken. Soms echter in geen maanden het minste spoor van goud! Dan moet de steen weg, op zijde gekanteld, om te kunnen beginnen onder den volgenden, en zoo verder, steeds verder, tot ééns de vondst loonend zal zijn. Welk een gezwoeg, wat een wilskracht is er voor nodig, om voor een schamel stukje brood zoo, jarenlang in de onherbergzame wildernissen voort te leven, verstoken van allen omgang met medemenschen, verstoken van alle voordeelen der beschaving. Want Brotberson en Barton zijn maar niet even naar het goudveld Moetoetoe gegaan, om daar het noodige goud te vinden en dan gauw rijk terug te keeren; neen zij en de meesten van hunne medegouddelvers werken al jarenlangin de goudvelden van Suriname. Velen zjjn er grijs geworden en zullen er eens worden begraven. Meestal is het maar een schamel stukje brood, dat zij er vandaan halen Maar na zoo'n vondst van bijna acht kilogrami — daar leven alle harten weder van op, daarna zullen ze weder met vernieuwden moed verder zwoegen. Toen ik Zondag onder den reusachtigen kei stond en met ontzag keek naar het werk dat daar was verricht, gaf Barton me lachend de piek aks in de handen en stelde mij voor mijn geluk eens in den goudhoudenden grond te beproeven. De grond onder de kei moest daarvoor eenvoudig steeds verder worden weggekapt, misschien kwam ik al kappende dus ook wel een klompje goud tegen. Maar de steen stond op vallen, een steen van eenige kubieke meters grootte, duizenden kilos zwaar, en wy er onder; als hij viel waren wij verpletterd. Toch werken Brotberson en Barton daar weer rustig verder, ondanks hun laatste schitterende vondst want alles wijst er op, dat er nog meer goud zit.’

De goudproductie in 1930 bedroeg nog geen 200 kilo.

Het Leeuwarder Nieuwsblad berichtte in haar editie van 11 juli 1932 over een bijzondere goudvondst in Suriname en baseerde zich op een artikel in de Surinaamse krant De West:

‘Een sprookjes-grot. De gouverneur van Suriname, de heer Rutgers, bracht dezer dagen een bezoek aan de jongste goudvindplaats in Mindrineti. Volgens De West bestaat de vondst uit kwartsen met zichtbaar goud. Bij verlichting lijkt de mijnschacht een sprookjesachtige grot met van goud schitterende wanden. Het eindproces zal vermoedelijk de oorspronkelijke raming van 40 K.G. verre overtreffen.’

Er was een kleine opleving van de mechanische goudwinning in de dertiger jaren. De ‘Sarakreek-Goudvelden Maatschappij’ gebruikte bij het goudwinnen tractoren en een motorschop. Maar, de productie bedroeg in 1939 maar 461 kilogram. Zes jaar later bedroeg de totaal Surinaamse goudproductie 177.993 gram en in 1946 144.581 gram. In 1948 werd in Suriname 129.927 gram goud geproduceerd, tegen 128.398 gram in 1947.

Bij Benzdorp was na de Tweede Wereldoorlog de ‘Lawa-Goudvelden Maatschappij’ actief. Voor dit bedrijf werd in 1963 een emmerbaggermolen in onderdelen door de lucht aangevoerd. Zes jaar later werden de werkzaamheden echter beëindigd. Tussen 1875 en 1975 bedroeg de totale Surinaamse goudproductie zo’n 43.000 kilo. In 1976 daalde de goudproductie naar minder dan 2 kilogram. Stijging van de goudprijs zorgde echter voor een opleving van de Surinaamse goudsector in de loop van de zeventiger jaren.

Tijdens de Binnenlandse Oorlog van 1986 tot 1992 zakte de sector ineen. Het Jungle Commando van Ronnie Brunswijk nam goudpontons van de overheid in beslag. De rebellen zouden de eerste Braziliaanse goudzoekers hebben uitgenodigd om te gaan werken op de inbeslaggenomen pontons. In de negentiger jaren van de 20e eeuw waren in Suriname tussen de 10.000 en 20.000 kleinschalige goudzoekers actief in de goudvelden. Driekwart van hen waren garimpeiros, Brazilianen. Zij werden Suriname in gedreven door extreme armoede in eigen land en strengere controle van de kleinschalige goudsector in de Amazone regio. Daarenboven werden ze aangetrokken door verhalen over rijke goudvoorraden en het ontbreken van de overheid en controle in het Surinaamse binnenland. De overige goudzoekers in Suriname waren en zijn marrons (afstammelingen van Afrikanen die door slavenhalers onder dwang naar Suriname waren gebracht. Daar bevrijdden zij zichzelf uit de slavernij en vestigden ze zich in het binnenland).

De goudsector had een opleving aan het begin van de jaren ’90 van de 20e eeuw. De geschatte productie bedroeg in 1996 ongeveer 20 ton en in 1999 ruim 19.8 ton. De goudopkoop door de Centrale Bank van Suriname bedroeg in 1996 1.02 ton en in 1999 6.6 ton. De geschatte productiecijfers vertoonden een negatieve groei van -4% in 1998 en -5% in 1999. De oorzaken hiervan waren het uitgeput raken van de winstgevende goudontginningsgebieden, waarbij goud ontgonnen werd uit verweerde gesteenten. Ook nam de komst van Braziliaanse goudzoekers vanaf het tweede halfjaar van 1999 af. Deze maakten rond de zestig procent uit van het totale aantal werknemers binnen de informele goudwinning.

In 2007 was de bijdrage van de kleinschalige goudwinning bijna tweemaal zo veel als de bijdrage van de geïndustrialiseerde goudsector. De export goudopbrengsten uit de kleinschalige goudmijnbouw bedroeg dat jaar 13.835 kilo en had een waarde van 301,5 miljoen Amerikaanse dollar. Van de geïndustrialiseerde goudsector was de exporthoeveelheid 8.300 kilo. In hetzelfde jaar en in 2008 werden door de regering Venetiaan een paar zogenoemde Clean Sweep acties uitgevoerd. Politie en leger traden hard op in diverse illegale goudzoekerskampen. Complete kampen werden met de grond gelijk gemaakt en de porknokkers en garimpeiro’s werden verwijderd. Materialen, gebruikt door de goudzoekers, werden door de overheid inbeslaggenomen waarna alles openbaar werd verkocht. Diverse goudzoekers en concessiehouders werden in de gelegenheid gesteld hun eigen inbeslaggenomen spullen terug te kopen. Met de opbrengsten kon de staatskas worden gespekt en sprak de regering van een succes. Maar, de goudzoekers konden gewoon hun werkzaamheden hervatten. Het door de regering uitgesproken ‘succes’ was niets meer en niets minder dan een financieel succes. De goudwinning in de tijdens de diverse Clean Sweep operaties ‘gezuiverde’ goudzoekerskampen ging gewoon door.

Suriname produceerde in 2009 in totaal 28.585 ton goud. Daarvan was maar liefst 57.7 procent (16.486 ton) afkomstig uit de kleinschalige goudwinningssector. Sinds 2005 is er een stijgende lijn waar te nemen in de goudproductie.

De kleinschalige goudsector bleek in 2011 meer goud uit de Surinaamse bodem te halen dan een multinational als IAmGold, die eigenaar is van de grote Rosebel goudmijn te Brokopondo. Door de kleinschalige goudsector werd in 2011 19.000 kilo ‘kleinschalig’ goud geëxporteerd, terwijl het Canadese IAmGold bleef steken op 12.000 kilo. De marktwaarde van het geëxporteerde kleinschalige goud bedroeg ruim 914 miljoen Amerikaanse dollar. De Staat verdiende wel meer aan IAmGold, namelijk 146.4 miljoen Amerikaanse dollar, omdat er daar ook belastingen worden geheven. Niet al het goud dat door de kleinschalige goudsector werd geëxporteerd werd overigens in Suriname gewonnen. Buurlanden Guyana en Frans-Guyana kampten namelijk met een ernstig smokkelprobleem van goud naar Suriname. De royalty’s in Suriname van maximaal 2,5 procent, zijn veel lager dan het gemiddelde van ongeveer 5 procent dat in die landen wordt betaald.

De complete kleinschalige goudsector werd in 2010 door de regering Bouterse-Ameerali tegen het licht gehouden. Met de instelling op 20 december 2010 van de presidentiële Commissie Ordening Goudsector moet een einde gemaakt gaan worden aan de chaos, anarchie, slechte gezondheidszorg, (kinder-)prostitutie en milieuvervuiling op de goudvelden in het Surinaamse binnenland. Na vier eeuwen van een soort vrijgevochten en avontuurlijke kleinschalige goudwinning zou de complete sector eindelijk geordend gaan worden.......porknokkers en garimpeiros zouden zelfs belastingplichtig worden.

Het totale goudwinningsgebied in Suriname beslaat een oppervlakte van ongeveer 60.000 vierkante kilometer. Dat gebied omvat de districten Para, Brokopondo, Marowijne en Sipaliwini. Op de kaart van Suriname is dat het gebied rechts aan de kant van Frans Guyana: vanaf het Van Blommenstein Stuwmeer naar beneden tot aan de Goeiegebergte. Volgens informatie van de Commissie Ordening Goudsector, bekendgemaakt door Gerold Dompig, voorzitter van het Management Team eind november 2012 in het actualiteitenprogramma van RBN (Rapar Broadcasting Network), Kal Aaj Aur Kal, zouden in het gebied ongeveer 4.000 goudmijnen zijn. In een mijn zouden volgens Dompig acht machines opereren, hetgeen betekent dat in het hele gebied 32.000 machines actief zijn. Over het aantal goudzoekers in een mijn beweerde Dompig dat in één goudmijnput ongeveer tien tot twaaf mensen werken. Verder liet hij weten dat zich zo’n 12.000 Brazilianen in het land bevinden waarvan er ongeveer 8.000 illegaal zijn. Hetzelfde aantal van 8.000 zou volgens Dompig werkzaam zijn in de goudsector.

Anno 2013 is de commissie nog steeds aan het ordenen en de porknokkers en garimpeiros in het achterland werken nog steeds de bodemlagen los met hogedrukspuiten en gebruiken kwik in het goudwinningsproces. De goudzoekers verwijderen eerst de toplaag van zand en klei. Wanneer de goudhoudende bodemlaag bereikt is wordt de modder door een zuigslang in een zogenoemde sluicebox gepompt. Een sluicebox bestaat uit twee of drie achter elkaar gemonteerde, schuingeplaatste houten bakken. Gouddeeltjes en andere zware mineralen worden deels opgevangen achter ribbels en/of een metalen gaaswerk en in de grove mat die de bodem van de sluicebox bedekt. Het afvalmateriaal (gravel, zand, en klei) komt terecht in de natuur. De sluicebox wordt, afhankelijk van de verwerkte hoeveelheid materiaal, na enkele dagen of weken ‘gewassen’. De goudzoeker spoelt het gaas en de matten ‘schoon’ en vangt het concentraat op. Tijdens het wassen gebruikt men kwik, dat chemisch wel met goud, maar niet met andere zware mineralen bindt. Goud en kwik vormen een amalgaam en worden vervolgens weer gescheiden door het amalgaam te verhitten, waardoor het kwik verdampt en het goud achter blijft. De meest economische en minst schadelijke manier om dit te doen is in een gesloten system (retort) waardoor men het kwik terug wint. De meeste goudzoekers verhitten het amalgaam echter gewoon op een houtvuur in een baté, al dan niet met bladeren afgedekt. Dit hele proces zal waarschijnlijk nog lange tijd door de kleinschalige goudzoekers gehanteerd worden, zolang zij van mening zijn niet over de financiële middelen beschikken om milieuvriendelijke winningsmethoden aan te schaffen.

Door: Paul Kraaijer

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen