vrijdag 8 februari 2013

Onrust onder dorpsbewoners binnenland over activiteiten goudwinning

De goudzoekers in Suriname zijn in een paar groepen te verdelen. De basisgroepen worden gevormd door de marrons en de uit buurland Brazilië afkomstige zogenoemde garimpeiros. De kleinschalige goudzoeker wordt vaak een porknokker of porcknokker genoemd. Zij zijn vooral aan het werk in de Greenstone Belt, in het oosten van het land. De goudafzettingen in Suriname vormen onderdeel van het Guiana Shield, een geologische Greenstone-formatie, dast een gebied beslaat van in totaal 415.000 vierkante kilometer op de grondgebieden van Venezuela, Brazilië, Guyana, Suriname en Frans-Guyana. In Suriname gaat het om een gebied van zo’n 24.000 vierkante kilometer. 


Volgens uiteenlopende bronnen schommelt het aantal daadwerkelijke goudwinningsgebieden in Suriname tussen de negen en veertien. Ook zijn er geen exacte cijfers bekend over het aantal goudmijnen. Er circuleren getallen van achterhonderd tot twaalfhonderd. In de goudmijngebieden wonen vooral Marrons waaronder met name Ndyuka’s (Aucaners). Verder wonen daar Paramaccaners, Saramaccaners, Matawai en Aluku. De Wayana’s, in het zuidoosten van het land – onder andere bij Anapaike en Apetina -, zijn de enige inheemsen. Veel dorpen in de Surinaamse Greenstone zijn verlaten, vooral door trek naar de stad, Paramaribo. Dorpen waarvan de bewoners actief zijn in de goudwinning, zijn met name Nieuw Koffiekamp en Drietabbetje.

Een groot deel van de Marrons, die als goudzoekers hun brood verdienen, is afkomstig uit Paramaribo. Ze zijn naar de goudvelden getrokken om geld te verdienen, wat in de stad onmogelijk bleek. De stad-Marrons hopen op een betere toekomst. Slechts rond de vijf procent van de Surinamers die in de goudvelden werken zijn stadsbewoners van niet‐Marron afkomst. Concessiehouders zijn bijvoorbeeld bijna allemaal stadsbewoners van andere ethnische groepen en zijn zelden op de goudvelden te zien. Hun zaken laten ze verrichten door voormannen en managers.

Aantal goudzoekers schatten aan de hand van aantal verstrekte klamboes....

Ook over het totaal aantal kleinschalige goudzoekers zijn de cijfers niet duidelijk. Geschat wordt dat er ministens 15.000 kleinschalige goudzoekers in Suriname werkzaam waren halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw, waaronder tussen de 10.000 tot 12.000 garimpeiros uit Brazilië waarvan driekwart illegaal in het land zou zijn. De voorzitter van het managementteam van de Commissie Ordening Goudsector, Gerold Dompig, schatte in januari 2011 het aantal goudzoekers in totaal op rond de 30.000. Hij baseerde die schatting op basis van het aantal verstrekte klamboes door de Malariabestrijdingsdienst. Suriname heeft de afgelopen jaren namelijk gratis muskietnetten verstrekt aan goudzoekers. De aanwezigheid van die Brazilianen leidde tot een verandering in de traditionele werkwijze. Zij introduceerden de zware machines, bulldozers, baggermolens en andere semi gemechaniseerde winningsmethoden. Maar, ook brachten zij een andere mentaliteit de goudvelden binnen, waarbij geen oog is voor het milieu. Goud is het doel en dus het belangrijkste. Dat daarbij de flora en faune schade lijden is ondergeschikt voor de garimpeiros. Daarnaast ontstonden op sommige goudvelden kleine Braziliaanse enclaves met winkeltjes, bars en zelfs prostituees. Wet- en regelgeving lijken voor de garimpeiros ver weg te zijn.

Wayana’s en goudwinning

In de goudsector zijn op geringe schaal inheemsen werkzaam. In haar boek ‘Overleven in een Grensgebied – Veranderingsprocessen bij de Wayana in Suriname en Frans-Guyana’ gaat auteur en cultureel antroloog Karin Boven onder andere in op de betrokkenheid van de Wayana’s, uit met name het dorp Kawemhakan aan de Lawarivier, bij de kleinschalige goudwinning. De eerste goudzoekers doken – sinds de binnenlandse oorlog tussen het toenmalige militaire regime en een groep Marrons die zich in het zogenoemde Jungle Commando van ene Ronny Brunswijk verenigd hebben –

‘Hoewel veel Marrons niet bij de strijd betrokken waren, waren zij doelwit van vergeldingsacties van het nationale leger. Scholing en gezondheidszorg stagneerden en de infrastructuur in het binnenland werd grotendeels vernietigd. Alle toegangswegen waren bezet waardoor men niet meer van en naar het binnenland kon reizen. Op verschillende manieren stimuleerde de binnenlandse oorlog (1986‐1992) de opleving van de kleinschalige goudwinning. Het Jungle Commando confisqueerde de overheidspontons en nodigde naar verluidt Braziliaanse goudzoekers uit om hierop te werken. De strijd tegen het nationale leger werd deels gefinancierd met opbrengsten van deze goudmachines. Veel Marron scholieren uit Paramaribo waren in het binnenland toen het gewapende conflict in de schoolvakantie uitbrak. Omdat zij niet terug konden naar de stad trokken velen van hen de goudvelden in. De kleinschalige goudwinning is voor jonge Marronmannen aantrekkelijk, omdat men geen diploma, taalvaardigheden, of startkapitaal nodig heeft om als arbeider te beginnen. Door het binnenland van de kust te isoleren leidde de binnenlandse oorlog ook tot prijsstijgingen en ernstige tekorten aan basisbehoeften in het binnenland. Met goud kon men aan de Franse kant terecht. De economische recessie in de jaren na de binnenlandse oorlog, de torenhoge inflatie van eind jaren ’90, en armoede maakten de behoefte aan een waardevast betaalmiddel alleen maar groter. Met goudvoorkomens in de traditionele leefgebieden en een traditie van kleinschalige goudwinning, was de trek naar de goudvelden een logisch gevolg van deze ontwikkelingen.’ (Heemskerk, 2009)

- vanaf 1993 in de omgeving van het dorp op. Deze goudzoekers uit Paramaribo hadden voor de binnenlandse oorlog stroomopwaarts van Kawemhakan een zogenoemde pondo (vlot) in de rivier liggen. Het is eigenlijk, aldus Boven, een soort drijvende goudmijn. (In 1978 werd door de Geologische Mijnbouwkundige Dienst (GMD) een nieuwe mijnbouwmethode geïntroduceerd: kleine pontons met zuigers (pondo), op de Lawarivier (Heemskerk, 2009). Een gebrek aan arbeidskrachten en kapitaal verhinderen echter de continuïteit van exploratie‐en exploitatiewerkzaamheden.


Een goudponton op het stuwmeer. (Bron foto: Ronny Asabina)

‘De aanwezigheid van een pondo leidde tot ernstige verontreiniging van het water van de Lawa. Modder en zand op de bodem worden omgewoeld waardoor het water vertroebelt. Wayana’s en anderen die te lang in het water waren om zich te wassen kregen huidirritaties: pukkels. Franse artsen waarschuwden de inheemsen om bepaalde soorten vis niet meer te eten. ‘Een vrouw van Kayode kreeg een baby zonder oren en met een vreemd vervormde mond. De baby overleed na twee maanden.’ (Boven, 2006)

'Andere inwoners van het dorpje waren niet meer in staat om normaal te lopen.
De komst van de goudzoekers zorgde voor economische bedrijvigheid in het gebied. Iedere dag landde een vliegtuigje met voedsel en brandstof voor de stadse goudzoekers. Sommige Wayana’s kregen de kans om betaald te gaan werken voor goudzoekers. Om transportkosten te drukken maakten op een moment de vliegtuigjes plaats voor korjalen die tussen Albina en Kawemhakan voeren. Na enkele maanden maakte de interesse voor goud echter plaats voor interesse voor de feesten van de inheemsen. Op den duur vertrokken de Surinamers, maar zij werden snel opgevolgd door Brazilianen, de zogenoemde garimpeiros. De goudkoorts steeg in 1995 en leidde onder andere tot de komst van het Canadese goudmijnbedrijf Golden Star Resources, dat haar zinnen had gezet op de exploiratie van het De-Goejegebergte. De Brazilianen waren vooral druk met het duiken naar goud in de rivier, samen met Wayana’s en Aluku’s. Snel ging het gerucht de ronde dat er wekelijks een kilo goud werd gevonden. Het gerucht leidde weer tot de komst van stedelingen naar het gebied, aangezogen door de verhalen over het eldorado. Golden Star verplaatste haar werkzaamheden stroomafwaarts naar het kleine dorp Antino, niet ver van Benzdorp. De Wayana-werknemers van het bedrijf zaten van de ene op de andere dag zonder werk en dus zonder geld. Die tegenslag werd snel gevolgd door een andere tegenslag. Het goudwinningsbedrijf NaNa Resources N.V. van Henk Naarendorp bleek het leefgebied als concessie te hebben aangevraagd. Hierdoor kwam Kawemhakan midden in de goudconcessie te liggen. ‘In 1996 verkreeg deze maatschappij twee aan elkaar grenzende exploiratieconcessies, samen een oppervlate van 68.050 hectare. Dit terrein omvatte het gehele Wayana woon- en leefgebied aan Surinaamse zijde; vanaf de Nyamkreek tot aan de splitsing van de Lawa met de Oelemaririvier.’ (Boven, 2006)

Na 1996 kwamen NaNa Resources en de Wayana’s regelmatig met elkaar in conflict. ‘Zo arriveerde Naarendorp in november 1999 met politiemannen op Kawemhakan in verband met de goudwinnings-activiteiten van voorman Kauwet (hij was, financieel gesteund door de eigenaar van een Chinese winkel in Rainville – Paramaribo -, zelf naar goud gaan zoeken bij het De-Goejegebergte) en zijn medewerkers rond het De-Goejegebergte. De politie verbood Kauwet om nog verdere activiteiten te ontplooien, aangezien hij geen rechten hiertoe had. De frustratie aan Wayanazijde hierover was groot.’ (Boven, 2006)

Trio’s Kwamalasamutu in verzet tegen NaNa Resources en Golden Star

Eerder was NaNa Resources in opspraak geraakt toen, ook in samenwerking met het Canadese Golden Star, het bedrijf een 200.000 hectare groot concessiegebied toegewezen had gekregen in het gebied van het Trio-dorp Kwamalasamutu in het uiterste zuiden van het land. Dorpshoofden zouden in 1995 een verklaring van geen bezwaar hebben ondertekend. Maar, zij beweerden dat ze erin waren geluisd om door Golden Star en NaNa Resources en dat zij de volledige inhoud van de verklaring niet hadden begrepen. Verder benadrukten zij getracht te hebben de brief en de concessie te cancelen, maar dat dat werd geweigerd en dat zij werden geïntimideerd. Golden Star en NaNa Resources zouden zelfs de hulp hebben ingeroepen van de toenmalig voorzitter van de Nationale Democratische Partij (NDP), Desi Bouterse, om de bewoners het zwijgen op te leggen. Bouterse steunde ook Golden Star in haar conflicten met de marrons van Nieuw Koffiekamp. Technici van Golden Star dreigden ook om Bouterse naar de inheemse gemeenschap Casipora te sturen toen de bewoners klaagden over de aanwezigheid van de Canadezen op hun land. Een door de Vereniging van Inheemse Dorpshoofden in Suriname (VIDS) in januari 1997 uitgevoerd onderzoek kwam tot de conclusie dat de klachten van de gemeenschap over intimidatie en bedriegerij op waarheid berustten. Naar aanleiding van het rapport bracht de VIDS op 14 januari 1997 het volgende persbericht uit:

‘Bewoners van Kwamalasamutu willen dat Golden Star Resources hun leefgebied verlaat en vragen erkenning van de regering van hun grondrechten.

Een delegatie van de Vereniging van Inheemse Dorpshoofden in Suriname (VIDS) is vorige week naar Kwamalasamutu gegaan om klachten van dorpsleiders te onderzoeken met betrekking tot activiteiten van het Canadese goudmijnbedrijf Golden Star Resources en het Surinaamse bedrijf NaNa Resources.

Ze willen dat Golden Star en NaNa hun leefgebied verlaten en ze willen dat de regering hun landrechten erkent zodat zij en toekomstige generaties in vrede en veiligheid kunnen leven. Kwamalasamutu is gelegen in het zuiden van Suriname niet ver van de grens met Brazilië en is een van de grootste inheemse dorpen in Suriname, met tussen de 1.500 en 2.000 mensen van negen stammen. Kwamalasamutu is ook gelegen in een goud- en diamantconcessie van NaNa Resources, waarbinnen ook het Sipalawini Natuurreservaat ligt. Het natuurreservaat is de enige locatie in de wereld waar de bedreigde Oko Pipi kikker leeft.

De VIDS was door de hoofdkapitein tijdens een Gran Krutu van inheemsen en marrons, onlangs in Galibi, gevraagd het onderzoek in te stellen. Klachten waren ook te horen tijdens de derde jaarlijkse bijeenkomst van de VIDS afgelopen jaar. De VIDS werd in kennis gesteld dat in november 1995 wijlen granman Pesife en de kapiteins van het dorp een brief hadden ondertekend voor het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen waarin zij verklaarden geen bezwaar te hebben tegen het verkrijgen door Henk Naarendorp van NaNa Resources van een concessie om naar goud en diamant in hun woongebied te zoeken. De dorpshoofden weigerden de brief te ondertekenen, die was geschreven door Naarendorp die verklaarde Golden Star te vertegenwoordigen, tijdens vier verschillende aangelegenheden alvorens alsnog te tekenen. De dorpsleiders verklaarden dat Naarendorp hen onder druk had gezet om te tekenen; dat hij een tolk had gebruikt die hen niet goed informeerde over de inhoud van de brief en; dat zelfs vandaag meer dan een jaar later, zij nog steeds niet helemaal begrijpen wat de brief betekent.

Nadat de brief was getekend, gaf Naarendorp Golden Star toestemming om op de concessie te gaan werken. Sindsdien hebben de dorpshoofden diverse vergaderingen gehad met Golden Star, Naarendorp en NDP-voorzitter Bouterse. Iedere keer verklaarden ze dat ze Golden Star niet in hun leefgebied willen, dat ze de gevolgen van het tekenen van de brief niet begrepen en dat ze erkenning willen van hun landrechten.

Tijdens de laatste vergadering kreeg wijlen granman Pesife van Bouterse te horen dat Golden Star zal werken in hun gebied en dat er geen discussie meer zal zijn over dit onderwerp. Internationaal recht stelt dat de regering, multinationals of wie dan ook geen misbruik mag maken van het feit dat inheemsen en marrons de wetgeving niet goed kunnen begrijpen en dat iedere overeenkomst die op deze wijze tot is gekomen nietig en niet afdwingbaar is. Golden Star is op dit moment niet actief in het gebied, maar de bewoners van Kwamalasamut zijn bang dat wanneer het bedrijf terugkeert ze misschien gedwongen worden te verhuizen, de toegang tot hun jachtgebied en landbouwgronden wordt ontzegd en mishandeld zullen gaan worden door gewapende beveiligers en politie net zoals het geval is geweest met de bewoners van Nieuw Koffiekamp. Ze zijn ook bang dat er invasie komt van Braziliaanse goudzoekers als ze er achter komen dat Golden Star er aan het werk is en dat hun omgeving vernield gaat worden door de garimpeiros en het bedrijf. De mensen zeggen dat Golden Star al het water heeft vervuild daar waar het bedrijf actief is en dat ze in Brazilië ‘woestijnen’ hebben gezien waar ooit bossen stonden en ze willen niet dat dat gaat gebeuren met hun land.

De VIDS steunt de bewoners van Kwamalasamutu in hun eis dat Golden Star hun leefgebied moet verlaten en dat hun landrechten, zoals omschreven in internationaal recht, worden erkend en gerespecteerd door de regering. Dit geldt ook voor alle andere inheemsen en marrons in Suriname, vooral voor degenen die leven in concessiegebieden van Golden Star, NaNa Resources of welke andere multinational dan ook die op dit moment onze voorouderlijke gebieden binnenvalt. Dit geldt met name voor de inheemse gemeenschap van Kawemhakan, ook gelegen in een concessie van Golden Star en NaNa Resources, waar Golden Star onlangs boorresultaten bekend maakte op een locatie Antino genoemd, die erop duiden dat er misschien commerciële hoeveelheden goud in het gebied zijn. Net zoals het geval was geweest bij de bewoners van Nieuw Koffiekamp, werden de inwoners van Kawemhakan niet geconsulteerd en zelfs niet geïnformeerd over de toewijzing van een concessie in hun leefgebied. Wederom willen wij er bij de regering op aandringen, zoals ook de Gran Krutu welkte te Galibi werd gehouden deed, om geen enkele concessie meer te verstrekken totdat onze land- en andere mensenrechten volledig worden erkent in de Grondwet en andere wetten van Suriname.’

In mei 1997 eiste de gemeenschap te Kwamalasamutu in een brief aan de minister van Natuurlijke Hulpbronnen weer dat mijnbouwbedrijven hun gebied moesten verlaten en dat het recht op eigendom en controle van hun grond gerespecteerd en erkend moest worden. Deze keer ging het om het afgeven van een consessie voor diamantwinning afgegeven aan het Surinaamse bedrijf Margo Mining (volgens de Kamer van Koophandel en Fabrieken gevestigd aan de Griegstraat te Paramaribo en gestart in 1995).

Onrust onder Matawai eind 2000

Onder de Matawai, een marronvolk in Suriname, levend in zo’n twintig dorpen ten noorden van de plaats Kwakoegron aan de Saramaccarivier in Centraal-Suriname, ontstond begin november 2000 onrust door de activiteiten van twee goudmijnbedrijven, te weten Sarafina N.V. (met een concessie van ruim 29 duizend hectare) en Surinam Diamond Company (7.200 hectare). De Nederlandse krant NRC Handelsblad berichtte hierover op 4 november 2000. De eigenaren hadden van de regering Wijdenbosch (15 september 1996 - 12 augustus 2000) concessies in hun gebied gekregen. Tijdens een op 20 oktober gehouden gran krutu vroegen tien van de dorpen de regering schriftelijk om de mijnbouwactiviteiten voorlopig stop te zetten en om de rechten van de concessiehouders in heroverweging te nemen. Beide bedrijven verboden de Matawai om de concessiegebieden te betreden, gebieden die zij beschouwen als hun eigen land. Surinam Diamond Company had zelfs gewapende mannen in dienst die ongevraagd en onaangekondigd de Matawaidorpen in en uit gingen. Volgens de krant was de situatie ingewikkeld, omdat het Matawai grootopperhoofd Oscar Lafanti ook een concessie had van 15.500 hectare en dat gebied grenste aan het gebied van Sarafina. Hij nam goud van arbeiders van de goudmijn in beslag, omdat zij volgens hem op zijn gebied aan het werk waren. Maar, door zijn optreden kreeg hij ook zijn eigen bevolking tegen zich. Hij werkte immers voor zichzelf en niet voor de Matawai. Tegenover de Surinaamse avondkrant De West verklaarde het ressortraadslid Alexander Flink dat Sarafina weg moest uit het gebied. ‘Ze hebben een mijnbouwrecht gekregen tot voor onze deur, dus hebben wij niets meer te zeggen. Wij nemen het niet.’ De binnenlandbewoners waren er niet over te spreken dat ‘mensen uit de stad’ concessies krijgen om vervolgens uit hun traditionele gebieden de natuurlijke hulpbronnen goud en hout weg te halen. De Matawai hebben het gebied ook nodig voor hun levensonderhoud, voor jacht en visserij. Sarafina had met de Matawai willen samenwerken, maar die zaten niet op zo’n samenwerking te wachten. In 2008 werd het Matawaigebied ontruimd in het kader van een Clean Sweep-operatie van de regering Venetiaan. (zie “Hoofdstuk 4: Clean Sweep als wapen tegen wanorde goudvelden’ – ‘Clean Sweep-3, Matawaigebied’)

Ndjuka’s en goudwinning bij N’Djoekakreek (ook Mama Djukakreek genoemd), maart 2009

Eenheden van het Korps Politie Suriname en het Nationaal Leger kwamen half maart in actie in N’Djoekakreek en omgeving in het district Brokopondo. In het gebied zouden allerlei illegale activiteiten plaatsvinden, waaronder goudwinningsactiviteiten die zorgden voor ernstige vervuiling van het gebied. In totaal werden 107 mensen gearresteerd, waaronder slechts zes Surinamers en ook een paar vrouwen. Van dat aantal werden 53 personen op grond van overtreding van de Wet op de Economische Delicten in verzekering gesteld. Na verhoord te zijn werden twaalf mensen vrijgelaten en 32 illegalen werden voor uitzetting overgedragen aan de Vreemdelingendienst. Tijdens de actie werden ook nog eens een aantal vaartuigen, buitenboordmotoren, vier goudzuiginstallaties, twee bulldozers en twee graafmachines, ongeveer 200 gram goud, vaten met brandstof en enkele lichtaggregaten in beslag genomen.

Volgens antroprologe Marieke Heemskerk had het optreden van de overheid wel een aanleiding. Zij schrijft er over in haar in mei 2009, in opdracht van het Centrum voor Studie en Documentatie van Latijns Amerika (CEDLA) in Amsterdam, uitgebracht rapport ‘Kleinschalige goudwinning in Suriname - Een overzicht van sociaaleconomische, politieke, en milieu-aspecten’. De Mama Djukakreek is een belangrijke voorouderlijke plek voor de Ndyuka marrons, ofwel Aucaners. Desondanks had een aantal Ndyuka dignitarissen een notarieel contract getekend met een Fransman waarin zij toestemming gaven voor goudwinning in de Djukakreek voor een maandelijkse vergoeding van 300 gram goud (7.500 Amerikaanse dollar) per set machines (Zandgrond 2009). Een Ndyuka bestuurssecretaris trad op als tussenpersoon, ontving het geld en droeg dit over aan de kapiteins. Beide partijen, traditioneel gezag en overheidsvertegenwoordiger, handelden in strijd met zowel de mijnbouwwet als de gewoontewetten van de Ndyuka. Tot groot ongenoegen van de granman van de Aucaanse stam Matodja Gazon, hadden buitenlanders en enkele stamgenoten zich naar de Mama Djoekakreek begeven om de kostbare bodemschatten te ontginnen. De Mama Djoekakreek vertegenwoordigt voor de Aucaners een grote culturele waarde, omdat de stam daar is geformeerd en op die plaats de culturele voorwerpen zijn verborgen. Ndyuka granman Gazon diende een klacht over illegale goudwinning in bij de centrale overheid, die vervolgens politie‐ en legereenheden naar de locatie stuurden hetgeen leidde tot de arrestatie van 107 personen. De zes kapiteins die dit belangrijke ceremoniële gebied verkwanseld hadden, werden bij de Granman ter verantwoording geroepen. Op een krutu boden zij hun excuses aan en werd hen een traditionele boete opgelegd in de vorm van onder andere sopi (sterke drank) en lakens. Twee dignitarissen wilden tijdens de krutu een groot bedrag (15.000 Euro) teruggeven. Omdat de Granman weigerde het geld aan te pakken werd het door een aanwezige politie‐inspecteur in beslag genomen. De Federatie van Twaalf Lo's (Ndyuka raad van gezagsdragers) drong er ook bij andere Ndyuka op aan eventuele verdiensten uit de Djukakreek terug te geven. Geld verdiend met activiteiten die de Mama Djukakreek schenden had namelijk onheil kunnen brengen. De betrokken bestuurssecretaris werd ter beschikking gesteld van het ministerie van Regionale Ontwikkeling.

Dat ministerie riep eind maart van 2009 de kleinschalige goudzoekers bij de Mama Djoekakreek op om zich te registreren. Aan die oproep gaven slechts zes personen gehoor. Minister Michel Felisi van het ministerie van Ruimtelijke Ordening liet via de media weten dat het ging om ordening en transparantie, zodat er controle kon komen op de activiteiten van lokale gemeenschappen.

Wayana’s bedreigd door grote goudvoorraden op eiland Linsedede in Lawarivier, december 2010

De Ware Tijd berichtte op 8 december 2010 als enige Surinaamse krant dat de inwoners van een inheems dorp op het eilandje Linsedede in de Lawarivier, Wayana’s, met uitzetting werden bedreigd. Volgens de krant werd de rust van de rond de dertig bewoners twee maanden eerder al ernstig verstoord door een invasie van goudzoekers uit onder andere Langatabiki en Ampoma Tapoe, maar ook Brazilianen. Maar, volgens de krant ging de bedreiging feitelijk uit van ‘de dissidente’ kapitein Nawang Doea en basja Ramon Finiwe van het grootste Alukudorp, Cottica. Zij claimden het eilandje als hun traditioneel stamgebied en faciliteerden de goudzoekers. Doea zou eerder in opspraak zijn geweest, nadat hij samen met een vrouwelijke kapitein geld ging opeisen van Chinese winkeliers en goudzoekers in het stamgebied van de Aluku. Als voorwendsel gaven zij aan met toestemming van regeringsautoriteiten te handelen. Dit gebeurde na een kennismakingsbezoek van een afvaardiging van de Alukustam aan de toenmalig minister van Regionale Ontwikkeling (RO), Linus Diko. Districtscommissaris Raymond Landbrug van Sipaliwini reageerde op de kwestie door te zeggen dat in april 2010 de overheid al genoodzaakt was om met behulp van de politie, illegale Brazilianen te verwijderen uit het gebied. Van bewoners vernam De Ware Tijd, dat militairen die in de omgeving waren moesten ingrijpen om erger te voorkomen bij onderlinge ruzie tussen Aluku’s. ‘Zolang het belang van Surinamers in het geding is, zal de politie ernaar toe gedirigeerd worden om onderzoek te doen’, aldus Landbrug. Kapitein Ricardo Pane van Langamankondre zei in een telefonisch gesprek met een redacteur van de krant, vanuit Galibi – waar een vijfdaagse conferentie van de Vereniging van Inheemse Dorpshoofden (VIDS) werd gehouden – dat binnen de organisatie zwaar werd getild aan de ontstane situatie in het bedoelde gebied. ‘De conferentie heeft dit voorgelegd aan de kapitein tevens Assembleelid Lesley Artist, die dit probleem bij president Desiree Bouterse heeft aangekaart’, aldus Pane. De inheemsen hadden zich onder leiding van kapitein Kanaidoe in de jaren ‘80 met instemming van de Aluku’s gevestigd op het eiland. Zij behoorden tot de Wayana’s en kwamen oorspronkelijk van het stroomopwaarts gelegen Wayanadorp Anapaike. Hun voortbestaan werd bedreigd, omdat de oprukkende goudzoekers al tot tweehonderd meter van hun woningen waren genaderd en hun zogenoemde kostgrondjes hadden vernield. Granman der Aluku’s Emanuel Jacobi sprak zijn afkeuring uit over het onmaatschappelijk handelen van de dignitarissen. Hij luidde al in augustus de alarmbel over wat hij noemde de invasie van honderden Brazilianen en Chinezen die het leefgebied van zijn stam steeds meer innamen. Een twintigtal Aluku’s, die de andere kant van het eiland bewoonden, hadden het ook niet gemakkelijk. De gouddelvers waren hun woningen tot vijfhonderd meter genaderd. Een bewoner die door de tirannie van Doea en Finiwe zware verliezen leed en die zijn naam niet in de krant vermeld wilde zien, zei dat de pastoor en de kapitein een ‘obia’ in het bos hadden geplaatst. Op die manier werden de bewoners angst aangejaagd om hen te beletten hun kostgrondjes te betreden.

Van 7 tot en met 10 december 2010 kwamen in Galibi ruim 90 vertegenwoordigers bijeen van inheemse volken uit Suriname, Frans Guyana en de Braziliaanse deelstaten Macapá en Noord Pará. Het doel van de bijeenkomst was om elkaar te leren kennen, met elkaar te over hun gemeenschappelijke problemen en om ervaringen uit te wisselen. De VIDS nieuwsbrief Maraka van 28 januari 2011 bericht hierover:

‘Specifiek hebben zij gesproken over inheemse grondgebieden, sociale problemen, inheemse talen en goudwinning. Bij het laatste onderwerp, goudwinning, laaiden de gemoederen op. Hartverscheurende voorbeelden werden genoemd van de vele problemen die de inheemsen ondervinden als gevolg van de invasie door garimpeiros in hun grondgebied, de vernietiging van het bos, vervuiling van water en vele ziekten. De Wajãpi uit Brazilië vertelden hoe hun volk door ziekte uitgedund werd van enkele duizenden naar slechts 150. Ook de Wayana in het grensgebied van Suriname en Frans Guyana vertelden over hun problemen en hoe weinig ondersteuning ze krijgen van overheidsinstanties. Unaniem waren alle deelnemers het erover eens dat goudwinning zulke grote negatieve gevolgen heeft voor hun grondgebied, hun leven en leefwijze, dat dit niet langer getolereerd kan worden. Gezamenlijk hebben zij een resolutie aangenomen waarin zij nee zeggen tegen goudwinning in inheemse gebieden.’

Aan het slot van de conferentie werd onderstaande resolutie over goudwinning aangenomen:

‘Resolutie over goudwinning

Wij, de participanten in de Derde Grensoverschrijdende Vergadering van Inheemse Volken, gehouden van 7 – 10 december 2010 te Galibi, Suriname, verklaren het volgende:

Goudwinning in onze gebieden en in de buurt van onze gebieden heeft zeer ernstige en zelfs dodelijke gevolgen voor onze gemeenschappen en voor ons milieu. We zijn afhankelijk van ons milieu voor onze overleving. Ernstige gevolgen van de goudwinning zijn, onder andere, vervuiling van de rivieren en van het bos, vergiftiging van het water , vissen en dieren, en dientengevolge van vrouwen, mannen en kinderen, ondermijning van ons traditioneel gezag, verlies van cultuur en identiteit, geweld en criminaliteit, handel in illegale goederen, prostitutie en overdraagbare ziekten inclusief malaria, HIV/AIDS, etc.

Goudwinning brengt geen duurzame ontwikkeling; de nadelen zijn groter dan de voordelen. Misschien worden enkele personen rijk voor enige tijd, maar onze toekomst en de toekomst van onze kinderen worden in gevaar gebracht.

Goudwinning vormt voor ons een lokaal, nationaal en regionaal (grensoverschrijdend) probleem en daarom moeten wij goed overleg en een grotere samenwerking hebben tussen de landen. Goudwinning en de gevolgen daarvan zijn niet alleen een technisch probleem, maar ook een politiek probleem op beleidsniveau. Overheden treffen enkele maatregelen, maar die maatregelen blijken niet voldoende te zijn. In veel gevallen belooft de overheid veel, maar onderneemt geen of weinig acties. Er is een verschil tussen wat gezegd wordt en wat gedaan wordt. De maatregelen die getroffen worden beantwoorden niet aan onze eigen inzichten en oplossingsmodellen.

De informatie over goudwinning is erg slecht en onvoldoende in de regio. Er ontbreekt informatie over het besluitvormingsproces en het politiek beleid ten aanzien van dit onderwerp.

Wij, inheemse volken, maken geen deel uit van de organen die verantwoordelijk zijn voor de uitgifte van concessierechten. Daarom besluiten wij het volgende: 1. Wij willen geen goudwinning in onze gebieden, en ook niet buiten onze gebieden als de gevolgen ervan ons gebied, ons leven en onze rechten raken 2. We eisen de wettelijke erkenning van onze collectieve grondenrechten en andere rechten zoals vastgelegd in de VN Verklaring inzake de Rechten van Inheemse Volken en ILO Conventie 169 voor zover dat nog niet gebeurd is, en betere bescherming van onze rechten, inclusief ons recht op vrijelijk tot stand gekomen, voorafgaande en weloverwogen toestemming bij elke activiteit die op ons van invloed kan zijn, en onze volledige en effectieve participatie bij alle besluiten die genomen worden en concessies die uitgegeven worden voor exploitatie van natuurlijke hulpbronnen 3. Wij zullen juridische stappen ondernemen, onder andere bij het Inter-Amerikaans Hof voor Mensenrechten en Europees Hof voor Mensenrechten 4. Wij zullen als inheemsen hechter met elkaar samenwerken om het probleem van goudwinning aan te pakken, en we vragen aan de regeringen van Suriname, Brazilië en Frankrijk om dat ook te doen, vooral op politiek en beleidsniveau.

Aldus overeengekomen en besloten te Galibi, Suriname, op 10 december 2010’ Zoals zo vaak het geval is geweest, werd het ook snel stil rond de problemen op en rond het eilandje Linsedede in de Lawarivier.

Rama, Brokopondo, dreigde voor een derde bezit te worden van goudondernemer, augustus 2011

De Times of Suriname berichtte op 24 augustus 2011 dat bewoners van het dorp Rama in Brokopondo zich door tussenkomst van het NDP-Assembleelid Frederik Finisie zouden wenden tot minister Simon Martosatiman van het ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB), omdat hun woongebied in handen dreigde te komen van een goudondernemer. ‘Toppers’ van het ministerie bevestigden tegenover de krant dat er een aanvraag was gedaan op delen van het dorp, maar ontkenden dat er sprake zou zijn geweest van een ‘uitgifte’. Geplaatste grenspalen door een landmeter brachten echter bewoners aan het twijfelen over de mededelingen vanuit het ministerie. ‘De palen staan op nog geen vijf meter van het woongebied van de mensen’, aldus Finisie. De bewoners van Rama, dat op ongeveer honderd kilometer van de Afobakaweg ligt, waren volgens de krant zeer verhit en hadden het plan de grenspalen te verwijderen. Niet alleen, omdat zij het onterecht vonden dat hun woongebied werd uitgegeven aan een stedeling die er mijnbouwactiviteiten wilde ontplooien, maar ook omdat die zou hebben geweigerd om in dialoog te treden met de mensen. De identiteit van de ondernemer was ook onbekend. ‘De persoon komt niet meer sinds de zaak bekend is geworden in het parlement en de media’, zei Finisie. De tribale gemeenschap die er woont, timmerde volgens de Times of Suriname zelf vijftien jaar aan de weg om titel te krijgen op de gronden.

Dezelfde krant berichtte ruim twee maanden later, 12 november 2011, dat de gemeenschap van het dorp Rama in Brokopondo werkelijk een deel van haar grondgebied had verloren aan een mijnbouwonderneming. Het dorp zelf was nog in tact, maar een deel daarvan en de nabije omgeving was als concessie uitgegeven voor mijnbouwactiviteiten. Maar, het was nog onduidelijk om welke mijnbouwactiviteiten het zou gaan. Een en ander werd bevestigd door minister Martosatiman. Meer dan dat kon hij echter niet zeggen en verwees naar het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen. Het ministerie van ROGB geeft wel positieve adviezen in samenspraak met het ministerie van Regionale Ontwikkeling (RO) als het gaat om concessies in het binnenland. De taak van RO is om in overleg te treden met de omwonenden van aangevraagde concessiegebieden. Als die positief reageren dan verleent RO medewerking voor het uitgeven van een concessie, aldus berichtte de Times of Suriname. ‘Het is mogelijk als mijnbouwconcessie uitgegeven. Misschien gedeeltelijk, dat zou kunnen. Adviezen worden opgevraagd via het ministerie van RO aan de dorpsgemeenschappen’, zei de bewindsman van ROGB.

Maar, de krant schreef vernomen te hebben dat de kleine gemeenschap in het dorp juist niet te spreken was over de uitgifte van het gebied rondom hun dorp. Volgens de bewoners werden de uitgegeven delen tot een deel van hun dorp gerekend. In De Nationale Assemblee bracht politicus Finisie de problemen van de Rama onder de aandacht van de regering. Maar, na enkele maanden had hij nog steeds geen reactie mogen ontvangen. Volgens Finisie was een derde deel van het dorp onder onder toezicht gekomen van een concessiehouder uit het kustgebied.

Ruim een maand later deed de NDP-fractie in de Nationale Assemblee een oproep aan de regering om de aan een ondernemer verleende mijnbouwconcessie bij Rama in te trekken. Assembleelid Finisie toonde op 21 december 2011 documenten in het parlement om duidelijk te maken dat er werkelijk sprake was van gronduitgifte ten behoeve van mijnbouwactiviteiten. Volgens de politicus waren er grenspalen twee meter verwijderd van het dorpje geplaatst en dat betekende volgens hem dat de mensen hun economische zone kwijt waren. De bewoners van Rama hadden inmiddels alle in Brokopondo woonachtige Assembleeleden ingeschakeld om hun zaak te bepleiten bij de regering. Assembleelid Ronnie Asabina van partij voor Broederschap en Eenheid in de Politiek, BEP, ontving een petitie van de bewoners van Rama.

Op de vraag mij hoe het verder is gegaan met deze kwestie na december 2011 reageerde Asabina op 29 oktober 2012 alsvolgt: ‘Ter attentie van de kwestie Rama, heeft de gewezen minister van het ministerie van ROGB in het parlement aangegeven dat de informatie van gronduitgifte niet op waarheid berustte. De informatie had ik ook bij de gewezen districtscommissaris van Brokopondo, de heer Prijor nagetrokken, hij was ook niet op de hoogte van de gronduitgifte.’

Dorpelingen Sarakreekgebied vrezen goudwinningsactiviteiten ‘Aziaten’, oktober 2012

Dorpelingen in het Sarakreekgebied dreigden in de tweede week van oktober 2012 de toegang tot het stuwmeer te barricaderen. Ze waren niet te spreken over een groep ‘Aziaten’ die zich in het gebied had gevestigd en met springstof goud zou exploiteren, aldus berichtte de Times of Suriname in haar editie van 8 oktober 2012. ‘Ze zijn vlak achterop bij mijn keuken bezig. Alles trilt wanneer zij met dynamiet bezig zijn’, zei een bewoner in gesprek met de krant. De Aziaten zouden tunnels bouwen en gevreesd werd dat de grond rondom de woongebieden zou instorten. ‘Wij krijgen ook geen kopercent als dorp van het goud dat er wordt gemijnd, maar een bekende politicus ontvangt vijftien procent terwijl wij het moeten krijgen.’ De verhouding tussen de dorpsbewoners en de Aziaten nabij Crusher Bergi, een goudader, was volgens de krant zeer gespannen. De voorzitter van het managementteam van de Commissie Ordening Goudsector, Gerold Dompig, was niet te spreken over de door de dorpsbewoners geuite dreigementen. ‘Als er problemen zijn, dan mogen ze vandaag nog op kantoor bij mij komen om het te bespreken, maar wij kunnen het niet tolereren dat men het recht in eigen hand neemt’, aldus Dompig. De dorpelingen eisten dat een bekend goudbedrijf in het gebied had moeten voorzien van enkele faciliteiten. ( In het Sarakreekgebied waren onder andere actief Sarakreek Resource Corp NV en Wylab Suriname Development Company BV.) De krant vermeldde echter niet om welk bedrijf het ging. Dompig kon noch ontkennen noch bevestigen of de Aziaten werkelijk dynamiet gebruikten. Hij verklaarde er ook niet verbaasd over te zijn, aangezien de goudexploitatie in hard gesteente nu eenmaal alleen met springstof kan plaatsvinden. Hij gaf wel de verzekering dat alle operaties met toestemming van het bevoegde gezag plaatsvonden.

Het BEP-Assembleelid Ronnie Asabina reageerde meteen op de kwestie: ‘Er wordt goud gemijnd door een elitaire groep en men werkt met names and faces. Maar ik hoop dat de jongens de rivier niet gaan barricaderen. Ik heb ze voorgesteld om eerst met de autoriteiten te praten en af te zien van burgerlijke ongehoorzaamheid.’ Dompig zei bereid te zijn met de ontevreden dorpelingen te praten. ‘Maar ze gaan eens moeten ophouden met dreigen. We gaan het niet tolereren.’

De Commissie Ordening Goudsector trok in de eerste week van november 2012 het Sarakreekgebied in om toe te zien op de naleving van de Mijnbouwwet.

Door: Paul Kraaijer

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen